|
|
|
Aanmelden:
|
Geloofsbasis van de
|
Wij geloven, dat de mens geschapen werd naar Gods beeld, maar dat door de zonde van Adam de mensheid gevallen is en daardoor de zondige natuur erft en door de zonde gescheiden is van God; | |
dat de mens geheel verdorven is; | |
dat de mens noch zichzelf, noch zijn verloren toestand kan verbeteren, noch zichzelf kan redden. |
(Gen.1:26,27; Efe.2:1-3,12; Rom.3:22,23, 5:12; Joh.5:40)
Wij geloven in de eeuwige zekerheid van allen die wedergeboren zijn en dat zij het voorrecht bezitten op basis van Gods Woord. De Schrift leert ons nadrukkelijk hierin geen aanleiding te zoeken losbandig te leven, maar juist uit liefde en dankbaarheid ons leven te richten naar dat Woord. (Joh.5:24; 10:28,29; Tit.2:11-15; 1Joh.5:11,12; Gal.5:13; Rom.8:33-39)
Wij geloven, dat de gemeente een geestelijk organisme is, bestaande alleen uit alle wedergeboren mensen, die in het Nieuwe Testament het lichaam van Christus genoemd wordt (Col.1:18). De gemeente is niet de voortzetting van Israël, maar wordt voorbereid als de bruid van Christus. (Efe.1:22-23, 5:25-27; Matt.16:16-18; Col.2:19; 1Cor.12:12-14; Hand.2:42-47; Opb.19:6-10; 2Cor.11:2; Rom.12:5; Joh.3:29)
Wij geloven, dat het stichten en voortzetten van plaatselijke gemeenten duidelijk geleerd en uitgelegd wordt in de Nieuwtestamentische Geschriften. (Hand.14:27, 20:17,28,32; Tit.1:5-11; 1Tim.3:1-13)
Wij geloven in de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente vrij van enige uitwendige macht of toezicht, dat wil zeggen: haar bestaansrecht is uit de Schrift en door het werk van de Heilige Geest en wordt derhalve noch van staatswege noch vanuit kerkelijk gezag verleend. (Hand.13:1-4, 15:19-31, 20:28; 1Cor.3:9,16, 5:4-7,13; Rom.16:1-4; 1Petr.5:1-4)
Wij getuigen van het in Christus ontvangen nieuwe leven door, naar het voorbeeld van het Nieuwe Testament en in gehoorzaamheid aan het bevel van Jezus, ons als gelovigen te laten dopen door onderdompeling, zijnde het beeld van begrafenis en opstanding. (Hand.8:36-38; Matt.28:19)
Wij geloven, dat de gemeente regelmatig de Tafel des Heren behoort te houden, waarbij brood en beker spreken van het lichaam en bloed van onze Heiland. Door Hemzelf ingesteld, verkondigen wij en gedenken wij op deze manier uit gehoorzaamheid Zijn dood totdat Hij voor de gemeente komt. (Matt.26:26-29; 1Cor.11:23-26; Hand. 2:42, 20:7)
Wij geloven, dat iedere plaatselijke gemeente als leden in haar gemeenschap mag aanvaarden iedere gelovige die door zijn/haar getuigenis en levenswandel toont een kind van God te zijn, en die gehoorzaam is aan de bevelen van het Hoofd der Gemeente, Jezus Christus, die vasthoudt aan het geloof eenmaal aan de heiligen overgeleverd, en die dus door de Heilige Geest toegevoegd is aan de gemeenschap van de gemeente. (Hand.2:41,42; Efe.1:22-23; 4:1,16; Col.1:17-18, 2:6,7; Jud.3)
Wij geloven in de persoonlijke, lichamelijke, aanstaande terugkeer van de Here Jezus Christus. Deze terugkeer zal gebeuren eerst om Zijn gemeente te halen en dan, na de grote verdrukking, om de troon van David te vestigen op de aarde en om te regeren in rechtvaardigheid. (1Thes.1:10, 4:13-18; Opb.19:11-21; Zach.14:4-11; Opb.20:1-6)
Wij geloven in de lichamelijke opstanding van alle mensen: de verlorenen tot oordeel en eeuwige straf, de gereddenen tot eeuwig leven. (Matt.25:46; Opb.20:5,6,12,13; Joh.5:28,29; 1Cor.15)
Wij geloven, dat de zielen van de ongelovigen na de dood verblijven in een bewuste plaats van ellende tot de opstanding der ongelovigen, wanneer zij met geest en lichaam verenigd zullen verschijnen voor de Grote Witte oordeelstroon, en vandaar in de poel van vuur en zwavel komen, niet om vernietigd te worden, maar om bewust te lijden onder eeuwige straf. ( Luc.16:19-26; Jud.6,7; Mark.9:43-48; 2Thes.1:7-9; Opb.20:11-15; Matt.25:41-46; Dan. 12:2)
Wij geloven, dat de zielen van de gereddenen op het moment dat zij sterven afwezig van het lichaam en aanwezig bij de Here zijn, waar zij een bewust gezegende tijd wachten op de opstanding der gelovigen, wanneer geest, ziel en het verheerlijkte lichaam herenigd zullen worden om voor altijd verheerlijkt te zijn bij de Here. ( Luc.23:43; 2Cor.5:8; Opb.20:4-6; 1Thes.4:16,17; Phil.1:23, 3:21)
Door ons geloof zo uiteen te zetten onderschatten wij onder geen voorwaarde of zetten wij opzij, enig deel van het Schriftwoord, van het Oude- of van het Nieuwe Testament; maar wij menen dat een kennis, een geloof en een aanvaarden van de waarheid zoals ze beschreven staat in deze uiteenzetting, noodzakelijk zijn voor een gezond geloof en vruchtbaar leven.
Essentieel is het persoonlijk bewust aanvaarden van het offer van Jezus Christus.
![]()
|
| ||||||||||