Zondag 3
Zondag 4
Deel 2:
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vraag 12: |
Hoe kunnen wij aan deze straf ontkomen en weer in genade aangenomen worden, nu wij naar Gods rechtvaardig oordeel straf in tijd en eeuwigheid verdiend hebben? |
| Antwoord: |
God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan1. Daarom moeten wij òf zelf òf door een ander volkomen betalen2. |
1 Gen. 2:17; Ex. 20:5; 23:7; Ezech. 18:4; Heb. 10:30. 2 Mat. 5:26; Rom. 8:3, 4. |
|
| Vraag 13: |
Maar kunnen wij zelf betalen? |
| Antwoord: |
Op geen enkele manier. Wij maken de schuld juist elke dag groter1. |
1 Job 4:18, 19; 9:2, 3; 15:16; Ps. 130:3; Mat. 6:12; 16:26; 18:25. |
|
| Vraag 14: |
Kan een schepsel dat alleen maar schepsel is, voor ons betalen? |
| Antwoord: |
Nee, want ten eerste wil God geen ander schepsel straffen voor de schuld die de mens gemaakt heeft1; ten tweede kan ook geen schepsel dat alleen maar schepsel is, de last van de eeuwige toorn van God tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen2. |
1 Gen. 3:17; Ezech. 18:4. 2 Ps 130:3; Nah. 1:6. |
|
| Vraag 15: |
Wat voor een Middelaar en Verlosser moeten wij dan zoeken? |
| Antwoord: |
Een Middelaar die een echt1 en rechtvaardig mens2 is en toch sterker dan alle schepselen, dat wil zeggen: die tegelijk echt God is3. |
1 1Kor. 15:21. 2 Heb. 7:26. 3 Jes. 7:14; 9:5; Jer. 23:6; Luc. 11:22; Rom. 8:3, 4. |
| Vraag 16: |
Waarom moet de Middelaar een echt en rechtvaardig mens zijn? |
| Antwoord: |
Omdat Gods gerechtigheid eist, dat de menselijke natuur, die gezondigd heeft, ook voor de zonde betaalt1, en omdat een mens die zelf zondaar is, niet voor anderen kan betalen2. |
1 Jes. 53:3-5; Jer. 33:15; Ezech. 18:4, 20; Rom. 5:12-15; 1Kor. 15:21; Heb. 2:14-16. 2 Ps. 49:8; Heb. 7:26, 27; 1Pet. 3:18. |
|
| Vraag 17: |
Waarom moet de Middelaar tegelijk echt God zijn? |
| Antwoord: |
Om uit kracht van zijn godheid1 de last van Gods toorn2 aan zijn menselijke natuur te kunnen dragen3, en ons de gerechtigheid en het leven te kunnen verwerven en teruggeven4. |
1 Jes. 9:5; Rom. 1:4; Heb. 1:3. 2 Deut. 4:24; Nah. 1:6; Ps. 130:3. 3 Jes. 53:4, 11. 4 Jes. 53:5, 11; Jes. 54:8; Joh. 3:16; Hand. 20:28; 1Pet. 3:18. |
|
| Vraag 18: |
Wie is dan deze Middelaar, die echt God1 en tegelijk een echt2 en rechtvaardig mens is3? |
| Antwoord: |
Onze Here Jezus Christus4, die ons door God geschonken is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing5. |
1 Jer. 23:6; Mal. 3:1; Rom. 8:3; Gal. 4:4; 1Joh. 5:20. 2 Luc. 1:42; 2:6, 7; Rom. 1:3; Fil. 2:7; Heb. 2:14, 17; 4:15. 3 Jes. 53:9, 11; Jer. 23:5; Luc. 1:35; Joh. 8:46; Heb. 4:15; 7:26; 1Pet. 1:19; 2:22; 3:18. 4 Mat. 1:23; Luc. 2:11; Joh. 1:1, 14; 14:6; Rom. 9:5; 1Tim. 2:5; 3:16; Heb. 2:9. 5 1Kor. 1:30; 2Kor. 5:21. |
|
| Vraag 19: |
Waaruit weet u dat? |
| Antwoord: |
Uit het heilig evangelie. God heeft dat eerst zelf in
het paradijs geopenbaard1. Daarna heeft Hij het door de
heilige aartsvaders2 en profeten laten verkondigen3. |
1 Gen. 3:15. 2 Gen. 12:3; 22:18; 26:4; 49:10. 3 Jes. 42:1-4; 43:25; 49:6; 53; Jer. 23:5, 6; 31:32, 33; Micha 7:18-20; Joh. 5:46; Hand. 3:22-24; 10:43; Rom. 1:2; Heb. 1:1. 4 Kol. 2:17; Heb. 10:1, 7. 5 Rom. 10:4; Gal. 3:24; 4:4, 5; Kol. 2:17. |
| Vraag 20: |
Krijgen dan alle mensen door Christus het heil terug, zoals zij in Adam veroordeeld zijn? |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Antwoord: |
Nee1, maar alleen zij die door waar geloof bij Hem worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen2. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1 Mat. 7:14; 22:14. 2 Ps. 2:12; Mar. 16:16; Joh. 1:12, 13; 3:16, 18, 36; Rom. 3:22; 11:20; Heb. 4:2, 3; 5:9; 10:39; 11:6. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vraag 21: |
Wat is waar geloof? |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Antwoord: |
Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles
voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft1. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1 Rom. 4:20, 21; Heb. 11:1, 3; Jak. 1:6. 2 Ps. 9:11; Rom. 4:16-21; 5:1; 10:10; Ef. 3:12; Heb. 4:16. 3 Mat. 16:17; Joh. 3:5; 6:29; Hand. 16:14; 2Kor. 4:13; Ef. 2:8; Fil. 1:29. 4 Mar. 16:15; Hand. 10:44; 16:14; Rom. 1:16; 10:17; 1Kor. 1:21. 5 Hab. 2:4; Hand. 10:43; Rom. 1:17; Gal. 3:11; Heb. 10:10, 38. 6 Luc. 1:77, 78; Joh. 20:31; Hand. 10:43; Rom. 3:24; 5:19; Gal. 2:16. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vraag 22: |
Wat moet een christen geloven? |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Antwoord: |
Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1 Mat. 28:19; Mar. 1:15; Joh. 20:31. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Apostolische Geloofsbelijdenis |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vraag 23: |
Hoe luiden die artikelen? |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Antwoord: |
|
| Vraag 24: |
Hoe worden deze artikelen ingedeeld? |
| Antwoord: |
In drie delen. |
|
|
|
| Vraag 25: |
Waarom noemt u drie Personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, terwijl er toch maar één God is1? |
| Antwoord: |
Omdat God Zich zo in zijn Woord geopenbaard heeft: deze drie onderscheiden Personen zijn de ene, ware en eeuwige God2. |
1 Deut. 6:4; Jes. 44:6; 45:5; 1Kor. 8:4, 6; Ef. 4:5, 6. 2 Gen. 1:2, 3; Jes. 61:1; Mat. 3:16, 17; 28:19; Luc. 1:35; 4:18; Joh. 14:26; 15:26; Hand. 2:32, 33; 2Kor. 13:13; Gal. 4:6; Ef. 2:18; Tit. 3:4-6. |
|
God de Vader en onze schepping |
| Vraag 26: |
Wat gelooft u, wanneer u zegt: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde? |
| Antwoord: |
Dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus,
die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft1
en ze nog door zijn eeuwige raad en voorzienigheid in stand houdt en
regeert2, om zijn Zoon Jezus Christus mijn God en mijn Vader
is3. |
1 Gen. 1:1; 2:3; Ex. 20:11; Job 33:4; 38:4-11; Ps. 33:6; Jes. 40:26; Hand. 4:24; 14:15. 2 Ps. 104:2-5, 27-30; Ps. 115:3; Mat. 10:29, 30; Rom. 11:36; Ef. 1:11. 3 Joh. 1:12; Rom 8:15; Gal. 4:5-7; Ef. 1:5. 4 Ps. 55:23; Mat. 6:25, 26; Luc. 12:22-24. 5 Rom. 8:28. 6 Rom. 8:37-39; 10:12; Opb. 1:8. 7 Mat. 6:32, 33; 7:9-11. |
| Vraag 27: |
Wat verstaat u onder Gods voorzienigheid? |
| Antwoord: |
De almachtige en tegenwoordige kracht van God1, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zó regeert2, dat loof en gras, regen en droogte3, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen4, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen5. |
1 Ps. 94:9, 10; Jes. 29:15, 16; Jer. 23:23, 24; Ezech. 8:12; Mat. 17:27; Hand. 17:25-28. 2 Hebr. 1:3. 3 Jer. 5:24; Hand. 14:17. 4 Spr. 22:2; Joh. 9:3. 5 Spr. 16:33; Mat. 10:29. |
|
| Vraag 28: |
Waarom is het voor ons belangrijk te weten dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid in stand houdt? |
| Antwoord: |
Om in alle tegenspoed geduldig1, in voorspoed dankbaar te zijn2 en voor de toekomst dit vaste vertrouwen te hebben in onze trouwe God en Vader, dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal3. Want alle schepselen zijn zo in zijn hand, dat zij zich tegen zijn wil niet roeren of bewegen kunnen4. |
1 Job 1:21, 22; Ps. 39:10; Rom. 5:3, 4; Jak. 1:3. 2 Deut. 8:10; 1Tes. 5:18. 3 Ps. 55:23; Rom. 5:4, 5; 8:38, 39. 4 Job 1:12; 2:6; Spr. 21:1; Hand. 17:25-28. |
|
God de Zoon en onze verlossing |
| Vraag 29: |
Waarom wordt de Zoon van God Jezus, dat is Verlosser, genoemd? |
| Antwoord: |
Omdat Hij ons verlost van al onze zonden1, en omdat er bij niemand anders enig behoud te zoeken en te vinden is2. |
1 Mat. 1:21; Hebr 7:25. 2 Jes. 43:11; Joh. 15:4, 5; Hand. 4:11, 12; 1Tim. 2:5; 1Joh. 5:11, 12. |
|
| Vraag 30: |
Geloven zij dan wel in de enige Verlosser Jezus, die hun behoud en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf of ergens anders zoeken? |
| Antwoord: |
Nee, maar zij verloochenen met de daad de enige
Verlosser Jezus, ook al roemen zij met de mond in Hem1. |
1 1Kor. 1:13, 30, 31; Gal. 5:4. 2 Jes. 9:6; Joh. 1:16; Kol. 1:19, 20; 2:10; Heb. 12:2; 1Joh. 1:7. |
| Vraag 31: |
Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde, genoemd? |
| Antwoord: |
Omdat Hij door God de Vader is aangesteld en met de
Heilige Geest gezalfd1 tot onze hoogste Profeet en Leraar,
tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning. |
1 Ps. 45:8; Jes. 61:1; Luc. 4:18; Hand. 10:38; Heb. 1:9. 2 Deut. 18:15; Jes. 55:4; Mat. 11:27; Joh. 1:18; 15:15; Hand. 3:22. 3 Ps. 110:4; Heb. 7:21; 9:12, 14, 28; 10:12, 14. 4 Rom. 8:34; Heb. 7:25; 9:24; 1Joh. 2:1. 5 Ps. 2:6; Zach. 9:9; Mat. 21:5; 28:18; Luc. 1:33; Joh. 10:28; Opb. 12:10, 11. |
|
| Vraag 32: |
Maar waarom wordt u een christen genoemd1? |
| Antwoord: |
Omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en
zo deel heb aan zijn zalving2, om: |
1 Hand. 11:26. 2 Jes. 59:21; Joël 2:28; Hand. 2:17; 1Kor. 6:15; 1Joh. 2:27. 3 Mat. 10:32, 33; Rom. 10:10. 4 Ex. 19:6; Rom. 12:1; 1Petr. 2:5; Opb. 1:6; 5:8, 10. 5 Rom. 6:12, 13; Gal. 5:16, 17; Ef. 6:11; 1Tim. 1:18, 19; 1Pet. 2:9, 11. 6 2Tim. 2:12; Opb. 22:5. |
| Vraag 33: |
Waarom wordt Christus de eniggeboren Zoon van God genoemd? Wij zijn toch ook Gods kinderen? |
| Antwoord: |
Omdat alleen Hij de eeuwige en natuurlijke Zoon van God is1. Maar wij zijn om Christus' wil uit genade tot Gods kinderen aangenomen2. |
1 Joh. 1:14, 18; 3:16; Rom. 8:32; Heb. 1:1, 2; 1Joh. 4:9. 2 Joh. 1:12; Rom. 8:15-17; Gal. 4:6; Ef. 1:5, 6. |
|
| Vraag 34: |
Waarom noemt u Hem onze Here? |
| Antwoord: |
Omdat Hij ons met lichaam en ziel, niet met goud of zilver, maar met zijn kostbaar bloed van al onze zonden vrijgekocht en uit alle macht van de duivel verlost heeft. Zo heeft Hij ons tot zijn eigendom gemaakt1. |
1 Joh. 20:28; 1Kor. 6:20; 7:23; Ef. 1:7; 1Tim. 2:6; 1Pet. 1:18, 19; 2:9. |
| Vraag 35: |
Wat belijdt u met de woorden: die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria? |
| Antwoord: |
De eeuwige Zoon van God, die echt en eeuwig God is en blijft1, heeft door de werking van de Heilige Geest echte menselijke natuur aangenomen2 uit het vlees en bloed van de maagd Maria3, om het ware zaad van David te zijn4, zijn broeders in alles gelijk, maar zonder zonde5. |
1 Mat. 1:23; 3:17; 16:16; 17:5; Mar. 1:11; Joh. 1:1; 17:3, 5; 20:28; Rom. 1:3, 4; 9:5; Fil. 2:6; Kol. 1:15, 16; Tit. 2:13; Heb. 1:3; 1Joh. 5:20. 2 Mat. 1:18, 20; Luc. 1:35. 3 Luc. 1:31, 42, 43; Joh. 1:14; Gal. 4:4. 4 2Sam. 7:12; Ps. 132:11; Mat. 1:1; Luc. 1:32; Hand. 2:30, 31; Rom. 1:3. 5 Fil. 2:7; Heb. 2:14, 17; 4:15; 7:26, 27. |
|
| Vraag 36: |
Wat is voor u de waarde van de heilige ontvangenis en geboorte van Christus? |
| Antwoord: |
Zo is Hij onze Middelaar1, die met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt2. |
1 Heb. 2:16-18; 7:26, 27. 2 Ps. 32:1; Jes. 53:11; Rom. 8:3, 4; 1Kor. 1:30, 31; Gal. 4:4, 5; 1Pet. 1:18, 19; 3:18. |
| Vraag 37: |
Wat belijdt u met het woord: geleden? |
| Antwoord: |
Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde,
maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van
het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen1. |
1 Jes. 53:4, 12; 1Tim. 2:6; 1Pet. 2:24; 3:18. 2 Jes. 53:10; Rom. 3:25; 1Kor. 5:7; Ef. 5:2; Heb. 9:28; 10:14; 1Joh. 2:2; 4:10. 3 Gal. 3:13; Kol. 1:13; Heb. 9:12; 1Pet. 1:18, 19. 4 Joh. 3:16; 6:51; 2Kor. 5:21; Heb. 9:15; 10:19. |
|
| Vraag 38: |
Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden? |
| Antwoord: |
Christus is onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld1, om ons te bevrijden van het strenge oordeel van God, dat over ons zou komen2. |
1 Mat. 27:24; Luc. 23:13-15; Joh. 18:38; 19:4, 11. 2 Jes. 53:4, 5; 2Kor. 5:21; Gal. 3:13. |
|
| Vraag 39: |
Heeft het een bijzondere betekenis dat Christus is gekruisigd en niet op een andere wijze is gestorven? |
| Antwoord: |
Ja, want daardoor ben ik er zeker van, dat Hij de vloek die op mij lag, op Zich geladen heeft1, omdat de kruisdood door God vervloekt was2. |
1 Gal. 3:13. 2 Deut. 21:23. |
| Vraag 40: |
Waarom moest Christus Zich tot in de dood vernederen? |
| Antwoord: |
Omdat vanwege Gods gerechtigheid en waarheid1 niet anders voor onze zonden betaald kon worden dan door de dood van Gods Zoon2. |
1 Gen. 2:17. 2 Rom. 8:3, 4; Fil. 2:8; Heb. 2:9, 14, 15. |
|
| Vraag 41: |
Waarom is Christus begraven? |
| Antwoord: |
Om daardoor aan te tonen dat Hij echt gestorven was1. |
1 Mat. 27:59, 60; Luc. 23:53; Joh. 19:40-42; Hand. 13:29; 1Kor. 15:3, 4. |
|
| Vraag 42: |
Nu Christus voor ons gestorven is, waarom moeten wij dan nog sterven? |
| Antwoord: |
Onze dood is geen betaling voor onze zonden1, maar alleen een afsterven van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven2. |
1 Mar. 8:37. 2 Joh. 5:24; Rom. 7:24, 25; Fil. 1:23. |
|
| Vraag 43: |
Wat is voor ons nog meer de waarde van het offer en de dood van Christus aan het kruis? |
| Antwoord: |
Door zijn kracht wordt onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven1, opdat de slechte begeerten van het vlees in ons niet meer regeren2, maar opdat wij onszelf aan Christus offeren als een offer van dankbaarheid3. |
1 Rom 6:6. 2 Rom 6:8, 11, 12. 3 Rom. 12:1. |
|
| Vraag 44: |
Waarom volgt er: neergedaald in de hel? |
| Antwoord: |
Daardoor mag ik er in mijn felste aanvechtingen zeker
van zijn en er rijke troost uit putten, dat mijn Here Jezus Christus mij
van de angst en pijn van de hel verlost heeft1. |
1 Jes. 53:5. 2 Mat. 26:38; 27:46; Heb. 5:7. |
| Vraag 45: |
Wat is voor ons de waarde van de opstanding van Christus? |
| Antwoord: |
Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood
overwonnen, om ons te doen delen in de gerechtigheid, die Hij door zijn
dood voor ons had verworven1. |
1 Rom. 4:25; 1Kor. 15:16-18; 1Pet. 1:3. 2 Rom. 6:4; Kol. 3:1-3; Ef. 2:4-6. 3 Rom. 8:11; 1Kor. 15:20-22. |
| Vraag 46: |
Wat belijdt u met de woorden: opgevaren naar de hemel? |
| Antwoord: |
Dat Christus voor de ogen van zijn discipelen van de aarde naar de hemel is opgenomen1 en daar ons ten goede is2, totdat Hij terugkomt om te oordelen de levenden en de doden3. |
1 Mar. 16:19; Luc. 24:51; Hand. 1:9. 2 Rom. 8:34; Ef. 4:10; Kol. 3:1; Heb. 4:14; 7:24, 25; 9:24. 3 Mat. 24:30; Hand. 1:11. |
|
| Vraag 47: |
Is Christus dan niet bij ons tot aan de voleinding van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft1? |
| Antwoord: |
Christus is echt mens en echt God. Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde2, maar naar zijn godheid, majesteit, genade en Geest verlaat Hij ons nooit meer3. |
1 Mat. 28:20. 2 Mat. 26:11; Joh. 16:28; Joh. 17:11; Hand. 3:21; Heb. 8:4. 3 Mat. 28:20; Joh. 14:16-18; 16:13; Ef. 4:8. |
|
| Vraag 48: |
Maar als de menselijke natuur niet overal is waar de godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkaar gescheiden? |
| Antwoord: |
Beslist niet. Want zijn godheid kan door niets ingesloten worden en is overal tegenwoordig1. Daaruit volgt dat deze godheid wel buiten haar aangenomen mensheid is2, maar toch ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft. |
1 Jes. 66:1; Jer. 23:23, 24; Hand. 7:49; 17:27, 28. 2 Mat. 28:6; Joh. 3:13; 11:15; Kol. 2:9. |
|
| Vraag 49: |
Wat is voor ons de waarde van de hemelvaart van Christus? |
| Antwoord: |
Ten eerste is Hij in de hemel voor het aangezicht van
zijn Vader om voor ons te pleiten1. |
1 Rom. 8:34; 1Joh. 2:1. 2 Joh. 14:2, 3; Joh. 17:24; Ef. 2:6. 3 Joh. 14:16; 16:7; Hand. 2:33; 2Kor. 1:22; 5:5. 4 Fil. 3:20; Kol. 3:1. |
| Vraag 50: |
Waarom wordt eraan toegevoegd: en zit aan de rechterhand van God? |
| Antwoord: |
Christus is opgevaren naar de hemel om Zich daar te bewijzen als het Hoofd van zijn christelijke kerk1, door wie de Vader alle dingen regeert2. |
1 Ef. 1:20-23; Kol. 1:18. 2 Mat. 28:18; Joh. 5:22. |
|
| Vraag 51: |
Wat is voor ons de waarde van deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus? |
| Antwoord: |
Ten eerste giet Hij door zijn Heilige Geest in ons,
zijn leden, de hemelse gaven uit1. |
1 Hand. 2:33; Ef. 4:8, 10-12. 2 Ps. 2:9; 110:1, 2; Joh. 10:28; Ef. 4:8; Opb. 12:5. |
|
| Vraag 52: |
Welke troost schenkt u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? |
| Antwoord: |
Dat ik in alle droefheid en vervolging met opgeheven
hoofd juist Hem als Rechter uit de hemel verwacht, die Zich eerst om mij
voor Gods rechterstoel gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft1. |
1 Luc. 21:28; Rom. 8:23, 24; Fil. 3:20; 1Tes. 4:16; Tit. 2:13. 2 Mat. 25:41-43; 2Tes. 1:6, 8, 9. 3 Mat. 25:34-36; 2Tes. 1:7, 10. |
|
God de Heilige Geest en onze heiliging |
| Vraag 53: |
Wat gelooft u van de Heilige Geest? |
| Antwoord: |
Ten eerste dat Hij samen met de Vader en de Zoon echt
en eeuwig God is1. |
1 Gen. 1:2; Hand. 5:3, 4; 1Kor. 2:10; 3:16; 6:19. 2 Mat. 28:19; 2Kor. 1:21, 22; Gal. 3:14; 4:6; Ef. 1:13. 3 Joh. 16:14; 1Kor. 2:12; 1Pet. 1:2. 4 Joh. 15:26; Hand. 9:31. 5 Joh. 14:16, 17; 1Pet. 4:14. |
| Vraag 54: |
Wat gelooft u van de heilige, algemene, christelijke kerk? |
| Antwoord: |
Dat de Zoon van God1 uit het hele
menselijke geslacht2 Zich een gemeente3, die tot
het eeuwige leven uitverkoren is4, van het begin van de
wereld tot aan het einde5 vergadert, beschermt en onderhoudt6.
Hij doet dit door zijn Geest en Woord7 in eenheid van het
ware geloof8. |
1 Joh. 10:11; Ef. 4:11-13; 5:25, 26. 2 Gen. 26:4; Jes. 49:6; Rom. 10:12, 13; Opb. 5:9. 3 Ps. 111:1; Hand. 20:28; Heb. 12:22, 23. 4 Rom. 8:29, 30; Ef. 1:10-14; 1Pet. 2:9. 5 Ps. 71:17, 18; Jes. 59:21; 1Kor. 11:26. 6 Ps. 129:4, 5; Mat. 16:18; Joh. 10:16, 28. 7 Jes. 59:21; Rom. 1:16; 10:14-17; Ef. 5:26. 8 Joh. 17:21; Hand. 2:42; Ef. 4:3-6; 1Tim. 3:15. 9 Rom. 8:10; 1Joh. 3:14, 19-21. 10 Ps. 23:6; Joh. 10:28; Rom. 8:35-39; 1Kor. 1:8,9; 1Pet. 1:5; 1Joh. 2:19. |
|
| Vraag 55: |
Wat verstaat u onder de gemeenschap der heiligen? |
| Antwoord: |
Ten eerste dat de gelovigen allen samen en ieder
persoonlijk als leden gemeenschap hebben met de Here Christus en deel
hebben aan al zijn schatten en gaven1. |
1 Rom. 8:32; 1Kor. 6:17; 12:12, 13; 1Joh. 1:3. 2 1Kor. 12:21; 13:1-7; Fil. 2:2-5. |
|
| Vraag 56: |
Wat belijdt u met de woorden: vergeving van de zonden? |
| Antwoord: |
Omdat Christus voldaan heeft, wil God nooit meer denken aan al mijn zonden1, ook niet aan mijn zondige aard2, waartegen ik mijn leven lang moet strijden. Maar God schenkt mij uit genade de gerechtigheid van Christus3, zodat ik nooit meer door Hem veroordeeld word4. |
1 Ps. 103:3, 10, 12; Jer. 31:34; Micha 7:19; 2Kor. 5:19. 2 Rom. 7:23-25. 3 2Kor. 5:21; 1Joh. 1:7; 2:1, 2. 4 Joh. 3:18; 5:24. |
| Vraag 57: |
Welke troost geeft u de opstanding van het vlees? |
| Antwoord: |
Dat niet alleen mijn ziel na dit leven terstond tot haar Hoofd Christus opgenomen zal worden1, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt, weer met mijn ziel verenigd en aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijkvormig zal worden2. |
1 Luc. 16:22; 20:37, 38; 23:43; Fil. 1:21, 23; Opb. 14:13. 2 Job 19:25-27; 1Kor. 15:53, 54; Fil. 3:21; 1Joh. 3:2. |
|
| Vraag 58: |
Welke troost put u uit het artikel over het eeuwige leven? |
| Antwoord: |
Evenals ik nu al het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voel1, zal ik ook na dit leven volkomen heerlijkheid bezitten, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en die in geen mensenhart is opgekomen, en wel om God daarin eeuwig te prijzen2. |
1 Joh. 17:3; 2Kor. 5:2, 3. 2 Joh. 17:24; 1Kor. 2:9. |
|
De rechtvaardiging |
| Vraag 59: |
Wat hebt u er nu aan, dat u dit alles gelooft? |
| Antwoord: |
Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven1. |
1 Hab. 2:4; Joh. 3:36; Rom. 1:17. |
|
| Vraag 60: |
Hoe bent u rechtvaardig voor God? |
| Antwoord: |
Alleen door waar geloof in Jezus Christus1. |
1 Rom. 3:21-26; 5:1, 2; Gal. 2:16; Ef. 2:8, 9; Fil. 3:9. 2 Rom. 3:9; 7:23. 3 Deut. 9:6; Ezech. 36:22; Rom. 3:24; 7:23-25; Ef. 2:8; Tit. 3:5. 4 1Joh. 2:1, 2. 5 Rom. 4:4-8; 2Kor. 5:19. 6 2Kor. 5:21. 7 Joh. 3:18; Rom 3:22. |
|
| Vraag 61: |
Waarom zegt u dat u alleen door het geloof rechtvaardig bent? |
| Antwoord: |
Niet omdat ik door de waarde van mijn geloof voor God aangenaam ben. Maar alleen de voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus is mijn gerechtigheid voor God1. En alleen door het geloof kan ik die aannemen en tot mijn eigendom maken2. |
1 1Kor. 1:30; 2:2. 2 1Joh. 5:10. |
| Vraag 62: |
Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn? |
| Antwoord: |
Omdat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, geheel volmaakt en in alle opzichten met Gods wet in overeenstemming moet zijn1, terwijl zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn2. |
1 Deut. 27:26; Gal. 3:10. 2 Jes. 64:6. |
|
| Vraag 63: |
Maar hebben onze goede werken dan geen verdienste? God wil ze toch in dit en in het toekomstige leven belonen? |
| Antwoord: |
Deze beloning wordt niet uit verdienste, maar uit genade gegeven1. |
1 Luc. 17:10. |
|
| Vraag 64: |
Maar maakt deze leer de mensen niet zorgeloos en goddeloos? |
| Antwoord: |
Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort1. |
1 Mat. 7:18; Joh. 15:5. |
|
Woord en sacramenten |
| Vraag 65: |
Nu alleen het geloof ons aan Christus en aan al zijn weldaden deel geeft, waar komt dit geloof vandaan? |
| Antwoord: |
Van de Heilige Geest1, die het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie2 en het versterkt door het gebruik van de sacramenten3. |
1 Joh. 3:5; 1Kor. 2:12; 12:3; Ef. 1:17, 18; 2:8; Fil. 1:29. 2 Hand. 16:14; Rom. 10:17; 1Pet. 1:23. 3 Mat. 28:19. |
|
| Vraag 66: |
Wat zijn sacramenten? |
| Antwoord: |
Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels,
die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van
het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen. |
1 Gen. 17:11; Lev. 6:25; Deut. 30:6; Jes. 6:6, 7; 54:9; Ezech. 20:12; Rom. 4:11; Heb. 9:7, 9; 9:24. |
|
| Vraag 67: |
Hebben het woord en de sacramenten beide als doel ons geloof te wijzen op het offer van Jezus Christus aan het kruis, als de enige grond van ons heil1? |
| Antwoord: |
Ja, want de Heilige Geest leert ons in het evangelie en bevestigt ons door de sacramenten, dat ons volkomen heil rust in het enige offer van Christus, dat voor ons aan het kruis gebracht is. |
1 Rom. 6:3; Gal. 3:27. |
|
| Vraag 68: |
Hoeveel sacramenten heeft Christus in het nieuwe verbond ingesteld? |
| Antwoord: |
Twee, namelijk de heilige doop en het heilig avondmaal. |
|
|
|
De heilige Doop |
| Vraag 69: |
Hoe wordt u in de heilige doop onderwezen en ervan verzekerd, dat het enige offer van Christus aan het kruis u ten goede komt? |
| Antwoord: |
Christus heeft het waterbad van de doop ingesteld1 en daarbij beloofd, dat ik met zijn bloed en Geest van de onreinheid van mijn ziel, dat is van al mijn zonden, gewassen ben2. Dit is even zeker als ik gewassen ben met het water, dat de onreinheid van het lichaam wegneemt. |
1 Mat. 28:19. 2 Mat. 3:11; Mar. 1:4; 16:16; Luc. 3:3; Joh. 1:33; Hand. 2:38; Rom. 6:3, 4; 1Pet. 3:21. |
|
| Vraag 70: |
Wat betekent dat: met het bloed en de Geest van Christus gewassen te zijn? |
| Antwoord: |
Dat wij van God vergeving van de zonden hebben uit
genade, om het bloed van Christus, dat Hij in zijn offer aan het kruis
voor ons vergoten heeft1. |
1 Ezech. 36:25; Zach. 13:1; Heb. 12:24; 1Pet. 1:2; Opb. 1:5; 7:14. 2 Ezech. 36:26, 27; Joh. 1:33; 3:5; Rom. 6:4; 1Kor. 6:11; 12:13; Kol. 2:11, 12. |
|
| Vraag 71: |
Waar heeft Christus ons beloofd dat Hij ons even zeker met zijn bloed en Geest wassen wil, als wij met het doopwater gewassen worden? |
| Antwoord: |
In de instelling van de doop, die zo luidt: Gaat
dan heen, maakt alle volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam
van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Matteüs 28:19. |
| Vraag 72: |
Is dat waterbad dan de afwassing van de zonden zelf? |
| Antwoord: |
Nee1, want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigen ons van alle zonden2. |
1 Mat. 3:11; Ef. 5:26; 1Pet. 3:21. 2 1Kor. 6:11; 1Joh. 1:7. |
|
| Vraag 73: |
Waarom noemt de Heilige Geest de doop dan het bad van de wedergeboorte en de afwassing van de zonden? |
| Antwoord: |
God zegt dat niet zonder dringende reden. |
1 1Kor. 6:11; Opb. 1:5; Opb. 7:14. 2 Mar. 16:16; Gal. 3:27. |
|
| Vraag 74: |
Moeten ook de kleine kinderen gedoopt worden? |
| Antwoord: |
Ja, want de kinderen horen evengoed als de
volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente1. |
1 Gen. 17:7. 2 Ps. 22:11; Jes. 44:1-3; Mat. 19:14; Hand. 2:39. 3 Hand. 10:47. 4 Gen. 17:14. 5 Kol. 2:11, 12. |
|
Het heilig Avondmaal |
| Vraag 75: |
Hoe wordt u in het heilig avondmaal onderwezen en ervan verzekerd, dat u aan het enige offer van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al zijn schatten deel hebt? |
| Antwoord: |
Christus heeft mij en alle gelovigen een bevel en
daarbij ook een belofte gegeven. |
1 Mat. 26:26-28; Mar. 14:22-24; Luc. 22:19, 20; 1Kor. 10:16, 17; 11:23-25. |
|
| Vraag 76: |
Wat betekent dat: het gekruisigd lichaam van Christus eten en zijn vergoten bloed drinken? |
| Antwoord: |
Dat wij met een gelovig hart heel het lijden en
sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving van zonden en eeuwig
leven verkrijgen1. |
1 Joh. 6:35, 40, 47-54. 2 Joh. 6:55, 56. 3 Hand. 1:9, 11; 3:21; 1Kor. 11:26; Kol. 3:1. 4 Joh. 14:23; 1Kor. 6:15, 17, 19; Ef. 3:16, 17; 5:29, 30; 1Joh. 3:24; 4:13. 5 Joh. 6:57; 15:1-6; Ef. 4:15, 16. |
|
| Vraag 77: |
Waar heeft Christus beloofd dat Hij de gelovigen even zeker met zijn lichaam en bloed wil voeden en verkwikken, als zij van dit gebroken brood eten en uit deze beker drinken? |
| Antwoord: |
In de instelling van het avondmaal, die zo luidt1: |
1 Mat. 26:26-28; Mar. 14:22-24; Luc. 22:19, 20. |
| Vraag 78: |
Worden dan brood en wijn veranderd in het eigen lichaam en bloed van Christus? |
| Antwoord: |
Nee1, het is bij het avondmaal net als bij
de doop. |
1 Mat. 26:29. 2 Ef. 5:26; Tit. 3:5. 3 1Kor. 10:16; 11:26. 4 Gen. 17:10, 11; Ex. 12:11, 13; 12:26, 27; 13:9; 24:8; Hand. 22:16; 1Kor. 10:1-4; 1Pet. 3:21. |
|
| Vraag 79: |
Waarom noemt Christus dan het brood zijn lichaam, en de beker zijn bloed, of het nieuwe verbond in zijn bloed, en spreekt Paulus van een gemeenschap met het lichaaam en het bloed van Christus? |
| Antwoord: |
Christus zegt dat niet zonder dringende reden. |
1 Joh. 6:51, 53-55. 2 1Kor. 10:16. |
| Vraag 80: |
Wat is het verschil tussen het avondmaal van de Here en de pauselijke mis? |
| Antwoord: |
Het avondmaal van de Here verzekert ons ervan: |
1 Mat. 26:28; Luc. 22:19, 20; Joh. 19:30; Heb. 7:26, 27; 9:12, 25-28; 10:10, 12, 14. 2 1Kor. 6:17; 10:16, 17. 3 Joh. 20:17; Kol. 3:1; Heb. 1:3; 8:1, 2. 4 Hand. 7:55, 56; Fil. 3:20; Kol. 3:1; 1Tes. 1:10. 5 Heb. 9:26; 10:12, 14. |
|
| Vraag 81: |
Voor wie is het avondmaal van de Here ingesteld? |
| Antwoord: |
Voor hen die om hun zonden een afkeer van zichzelf
hebben en toch vertrouwen dat deze hun om Christus' wil vergeven zijn,
en dat ook de overblijvende zwakheid door zijn lijden en sterven bedekt
is; die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te versterken en hun
leven te beteren. |
1 1Kor. 10:19-22; 11:28, 29. |
|
| Vraag 82: |
Mag men ook hen tot dit avondmaal toelaten die zich door hun belijdenis en leven als ongelovigen en goddelozen doen kennen? |
| Antwoord: |
Nee, want op deze wijze wordt Gods verbond ontheiligd
en zijn toorn over de gehele gemeente opgewekt1. |
1 Ps. 50:16; Jes. 1:11-15; 66:3; Jer. 7:21-23; 1Kor. 11:20, 34. |
| Vraag 83: |
Wat zijn de sleutels van het koninkrijk der hemelen? |
| Antwoord: |
De verkondiging van het heilig evangelie en de
kerkelijke tucht. |
1 Mat. 16:18, 19; 18:15-18. |
|
| Vraag 84: |
Hoe wordt het koninkrijk der hemelen door de verkondiging van het heilig evangelie geopend en gesloten? |
| Antwoord: |
Volgens het bevel van Christus wordt aan de
gelovigen, allen samen en ieder persoonlijk, verkondigd en in het
openbaar verklaard, dat al hun zonden hun door God om de verdienste van
Christus werkelijk vergeven zijn, zo vaak zij de belofte van het
evangelie met waar geloof aannemen. |
1 Mat. 16:19; Joh. 20:21-23. |
|
| Vraag 85: |
Hoe wordt het koninkrijk der hemelen gesloten en geopend door de kerkelijke tucht? |
| Antwoord: |
Volgens het bevel van Christus worden zij die onder
de naam van christen zich in leer of leven onchristelijk gedragen, eerst
bij herhaling broederlijk vermaand. |
1 Mat. 18:15-18; 1Kor. 5:3-5, 11; 2Kor. 2:6-8; 2Tes. 3:14, 15; 1Tim. 5:17; 2Joh. 1:10, 11. |
| Vraag 86: |
Nu wij uit onze ellende, zonder enige verdienste van onze kant, alleen uit genade door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen? |
| Antwoord: |
Omdat Christus ons niet alleen met zijn bloed gekocht
en vrijgemaakt heeft, maar ons ook door zijn Heilige Geest vernieuwt tot
zijn beeld, opdat wij met ons hele leven tonen, dat wij God dankbaar
zijn voor zijn weldaden1 en opdat Hij door ons geprezen wordt2. |
1 Rom. 6:13; 12:1, 2; 1Kor. 6:20; 1Pet. 2:5, 9. 2 Mat. 5:16; 1Pet. 2:12. 3 Mat. 7:17, 18; Gal. 5:6, 22; 2Pet. 1:10. 4 Mat. 5:16; Rom. 14:18, 19; 1Pet. 3:1, 2. |
|
| Vraag 87: |
Kunnen zij dan behouden worden, die in hun goddeloos en ondankbaar leven voortgaan en zich niet tot God bekeren? |
| Antwoord: |
Beslist niet, want de Schrift zegt dat een onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, oplichter, of een dergelijke zondaar, het koninkrijk van God niet beërven zal1. |
1 1Kor. 6:9, 10; Ef. 5:5, 6; 1Joh. 3:14, 15. |
| Vraag 88: |
Waarin bestaat de ware bekering van de mens? |
| Antwoord: |
In het afsterven van de oude en het opstaan van de nieuwe mens1. |
1 Rom. 6:4-6; 1Kor. 5:7; 2Kor. 7:10; Ef. 4:22-24; Kol. 3:5-10. |
|
| Vraag 89: |
Wat is het afsterven van de oude mens? |
| Antwoord: |
Oprechte droefheid, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. En ook dat wij deze zonden hoe langer hoe meer haten en ontvluchten1. |
1 Joël 2:13; Rom. 8:13. |
|
| Vraag 90: |
Wat is het opstaan van de nieuwe mens? |
| Antwoord: |
Hartelijke vreugde in God door Christus1 en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven2. |
1 Jes. 57:15; Rom. 5:1, 2; 14:17. 2 Rom. 6:10, 11; Gal. 2:19, 20. |
|
| Vraag 91: |
Maar wat zijn goede werken? |
| Antwoord: |
Alleen die uit waar geloof1, naar de wet van God2 en tot zijn eer3 gedaan worden, maar niet die op onze eigen mening of op geboden van mensen gegrond zijn4. |
1 Rom. 14:23. 2 Lev. 18:4; 1Sam. 15:22; Ef. 2:10. 3 1Kor. 10:31. 4 Jes. 29:13, 14; Ezech. 20:18, 19; Mat. 15:7-9. |
|
De Wet |
| Vraag 92: |
Hoe luidt de wet van de Here? |
| Antwoord: |
God sprak al deze woorden, Exodus 20:2-17,
Deuteronomium 5:6-21: Ik ben de Here uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. Eerste gebod: Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Tweede gebod: Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. Derde gebod: Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken, want de Here zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt. Vierde gebod: Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die. Vijfde gebod: Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Here, uw God, u geven zal. Zesde gebod: Gij zult niet doodslaan. Zevende gebod: Gij zult niet echtbreken. Achtste gebod: Gij zult niet stelen. Negende gebod: Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. Tiende gebod: Gij zult niet begeren het huis van uw naaste; gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is. |
|
|
|
| Vraag 93: |
Hoe worden deze tien geboden ingedeeld? |
| Antwoord: |
In twee tafelen1. |
1 Ex. 31:18; Deut. 4:13; 10:3, 4. 2 Mat. 22:37-40. |
|
| Vraag 94: |
Wat gebiedt God in het eerste gebod? |
| Antwoord: |
Ten eerste dat ik, als mijn heil mij lief is, alle
afgoderij1, tovenarij, waarzeggerij, bijgeloof2,
aanroeping van de heiligen of van andere schepselen3 vermijd
en ontvlucht. |
1 1Kor. 6:10; 10:7, 14; 1Joh. 5:21. 2 Lev. 19:31; Deut. 18:9-12. 3 Mat. 4:10; Opb. 19:10; 22:8, 9. 4 Joh. 17:3. 5 Jer. 17:5, 7. 6 1Pet. 5:5. 7 Rom. 5:3-5; 1Kor. 10:10; Fil. 2:14; Kol. 1:11; Heb. 10:36. 8 Ps. 104:27-30; Jes. 45:7; Jak. 1:17. 9 Deut. 6:5; Mat. 22:37, 38. 10 Deut. 6:2; Ps. 111:10; Spr. 1:7; 9:10; Mat. 10:28. 11 Deut. 10:20; Mat. 4:10. 12 Mat. 5:29, 30; 10:37-39; Hand. 5:29. |
|
| Vraag 95: |
Wat is afgoderij? |
| Antwoord: |
Afgoderij is in plaats van de enige ware God, die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of naast Hem iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen stelt1. |
1 1Kron. 16:26; Jes. 44:16, 17; Joh. 5:23; Gal. 4:8; Ef. 2:12; 5:5; Fil. 3:19; 1Joh. 2:23; 2Joh. :9. |
| Vraag 96: |
Wat eist God in het tweede gebod? |
| Antwoord: |
Dat wij God op geen enkele manier afbeelden1 en Hem op geen andere wijze vereren dan Hij in zijn Woord bevolen heeft2. |
1 Deut. 4:15, 16; Jes. 40:18, 19, 25; Hand. 17:29; Rom. 1:23-25. 2 Deut. 12:30-32; 1Sam. 15:23; Mat. 15:9. |
|
| Vraag 97: |
Mag men dan helemaal geen beelden maken? |
| Antwoord: |
God kan en mag op geen enkele manier afgebeeld worden. De schepselen mogen wel afgebeeld worden, maar God verbiedt dat wij een afbeelding van hen maken of hebben om die te vereren of God daardoor te dienen1. |
1 Ex. 34:13, 14, 17; Deut. 12:3, 4; 16:22; 2Kon. 18:4; Jes. 40:25. |
|
| Vraag 98: |
Maar zou men de beelden als ‘boeken der leken’ in de kerken mogen toelaten? |
| Antwoord: |
Nee, want wij moeten niet wijzer zijn dan God, die zijn christenen niet door stomme beelden1, maar door de levende verkondiging van zijn Woord wil laten onderwijzen2. |
1 Jer. 10:5, 8; Hab. 2:18, 19. 2 Rom. 10:14-17; 2Tim. 3:16, 17; 2Petr. 1:19. |
| Vraag 99: |
Wat eist God in het derde gebod? |
| Antwoord: |
Dat wij Gods naam niet lasteren of misbruiken door
vloeken1 of door een valse eed2 en evenmin door
onnodig zweren3. |
1 Lev. 24:15, 16. 2 Lev. 19:12. 3 Mat. 5:37; Jak. 5:12. 4 Lev. 5:1; Spr. 29:24. 5 Jes. 45:23; Jer. 4:2. 6 Mat. 10:32; Rom. 10:9, 10. 7 Ps. 50:15; 1Tim. 2:8. 8 Rom. 2:24; Kol. 3:17; 1Tim. 6:1. |
|
| Vraag 100: |
Is het lasteren van Gods naam door zweren en vloeken dan zo’n grote zonde, dat God ook toornt tegen hen die het vloeken en zweren niet zoveel mogelijk helpen tegengaan en verbieden? |
| Antwoord: |
Ja zeker, want geen zonde is groter en wekt Gods toorn meer op dan het lasteren van zijn naam. Daarom heeft Hij op deze zonde de doodstraf gesteld1. |
1 Lev. 24:16; Ef. 5:11. |
| Vraag 101: |
Maar kan men ook godvrezend bij de naam van God zweren? |
| Antwoord: |
Ja, wanneer de overheid het van haar onderdanen eist
of in geval van nood, om daardoor trouw en waarheid te bekrachtigen, en
dat tot eer van God en tot heil van de naaste. |
1 Deut. 6:13; 10:20; Heb. 6:16. 2 Gen. 21:24; 31:53; 1Sam. 24:22, 23; 1Kon. 1:29, 30; Rom. 1:9; 9:1; 2Kor. 1:23. |
|
| Vraag 102: |
Mag men ook bij de heiligen of andere schepselen zweren? |
| Antwoord: |
Nee, want rechtmatig zweren is God aanroepen, of Hij, die als enige het hart kent, voor de waarheid wil getuigen en mij wil straffen, indien ik vals zweer1. Deze eer komt aan geen schepsel toe2. |
1 Rom. 9:1; 2Kor. 1:23. 2 Mat. 5:34-36; Jak. 5:12. |
| Vraag 103: |
Wat gebiedt God in het vierde gebod? |
| Antwoord: |
Ten eerste dat gezorgd wordt voor het in stand houden
van de dienst des Woords en van de scholen1, en dat ik vooral
op de sabbat, dat is op de rustdag, trouw tot Gods gemeente zal komen2
om Gods Woord te horen3, de sacramenten te gebruiken4,
God de Here publiek aan te roepen5 en de armen christelijke
barmhartigheid te bewijzen6. |
1 1Kor. 9:13, 14; 1Tim. 3:15; 2Tim. 2:2; 3:14, 15; Tit. 1:5. 2 Lev. 23:3; Ps. 40:10, 11; Ps. 122:1; Hand. 2:42, 46. 3 1Kor. 14:1, 3; 1Tim. 4:13; Opb. 1:3. 4 Hand. 20:7; 1Kor. 11:23. 5 1Kor. 14:16; 1Tim. 2:1-4. 6 Deut. 15:11; 1Kor. 16:1, 2; 1Tim. 5:16. 7 Heb. 4:9, 10. |
| Vraag 104: |
Wat eist God in het vijfde gebod? |
| Antwoord: |
Dat ik aan mijn vader en moeder en aan allen die gezag over mij ontvangen hebben, alle eer, liefde en trouw bewijs, mij aan hun goede onderwijzing en tucht met gepaste gehoorzaamheid onderwerp1 en ook met hun zwakheid en gebreken geduld heb2, omdat God ons door hun hand wil regeren3. |
1 Ex. 21:17; Spr. 1:8; 4:1; Rom. 13:1; Ef. 5:22; 6:1, 2, 5; Kol. 3:18, 20, 22. 2 Spr. 23:22; 1Pet. 2:18. 3 Mat. 22:21; Rom. 13:2, 4; Ef. 6:4; Kol. 3:20. |
| Vraag 105: |
Wat eist God in het zesde gebod? |
| Antwoord: |
Dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet
haat, kwets of dood1. Dit mag ik niet doen met gedachten,
woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel
van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen2. |
1 Gen. 9:6; Mat. 5:21, 22; 26:52. 2 Mat. 5:25; 18:35; Rom. 12:19; Ef. 4:26. 3 Mat. 4:7; Kol. 2:23. 4 Gen. 9:6; Ex. 21:14; Rom. 13:4. |
|
| Vraag 106: |
Het gaat dus in dit gebod niet alleen om doodslag? |
| Antwoord: |
Nee. Door de doodslag te verbieden leert God ons ook dat Hij afgunst1, haat2, toorn3 en wraakzucht als de wortel van deze zonde haat en dat dit alles voor Hem doodslag is4. |
1 Ps. 37:8; Spr. 14:30; Rom. 1:29. 2 1Joh. 2:9-11. 3 Jak. 1:20; Gal. 5:19-21. 4 1Joh. 3:15. |
|
| Vraag 107: |
Maar is het genoeg dat wij onze naaste, zoals gezegd, niet doden? |
| Antwoord: |
Nee, want terwijl God afgunst, haat en toorn verbiedt, gebiedt Hij dat wij onze naaste liefhebben als onszelf1, jegens hem geduldig, vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk zijn2, zijn schade zoveel mogelijk voorkomen3 en dat wij ook onze vijanden goed doen4. |
1 Mat. 7:12; 22:39; Rom. 12:10. 2 Mat. 5:5, 7; Luc. 6:36; Rom. 12:18; Gal. 6:1, 2; Ef. 4:1-3; Kol. 3:12; 1Pet. 3:8. 3 Ex. 23:5. 4 Mat. 5:44, 45; Rom. 12:20, 21. |
| Vraag 108: |
Wat leert ons het zevende gebod? |
| Antwoord: |
Dat alle onkuisheid door God vervloekt is1. |
1 Lev. 18:27-29. 2 1Tes. 4:3-5. 3 Mal. 2:16; Mat. 19:9; 1Kor. 7:10, 11; Heb. 13:4. |
|
| Vraag 109: |
Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreuk? |
| Antwoord: |
Omdat zowel ons lichaam als onze ziel een tempel van
de Heilige Geest is, wil God dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren1. |
1 1Kor. 6:18-20. 2 Deut. 22:20-29; Ef. 5:3, 4. 3 Mat. 5:27, 28. 4 1Kor. 15:33; Ef. 5:18. |
| Vraag 110: |
Wat verbiedt God in het achtste gebod? |
| Antwoord: |
God verbiedt niet alleen het stelen1 en
roven2 dat de overheid straft, maar Hij noemt ook diefstal
alle boze plannen en kwade praktijken, waardoor wij trachten ons meester
te maken van het bezit van onze naaste3. |
1 1Kor. 6:10. 2 Lev. 19:13. 3 Luc. 3:14; 1Kor. 5:10. 4 Deut. 25:13-15; Spr. 11:1; 16:11; Ezech. 45:9-12. 5 Ps. 15:5; Luc. 6:35. 6 1Kor. 6:10. 7 Spr. 21:20; 23:20, 21. |
|
| Vraag 111: |
Wat gebiedt God u in dit gebod? |
| Antwoord: |
Dat ik het welzijn van mijn naaste, waar ik kan en
mag, bevorder en zo met hem doe, als ik wil dat men met mij doet1. |
1 Matt. 7:12. 2 Ef. 4:28. |
| Vraag 112: |
Wat eist God in het negende gebod? |
| Antwoord: |
Dat ik tegen niemand een vals getuigenis afleg1,
niemands woorden verdraai2 en geen kwaadspreker of lasteraar
ben3. |
1 Spr. 19:5, 9; 21:28. 2 Ps. 50:19, 20. 3 Ps. 15:3; Rom. 1:30. 4 Mat. 7:1, 2; Luc. 6:37. 5 Joh. 8:44. 6 Spr. 12:22. 7 1Kor. 13:6; Ef. 4:25. 8 1Pet. 4:8. |
| Vraag 113: |
Wat eist God in het tiende gebod? |
| Antwoord: |
Dat zelfs de geringste neiging of gedachte die tegen enig gebod van God ingaat, in ons hart nooit meer mag komen, maar dat wij altijd met heel ons hart alle zonden haten en liefde tot alle gerechtigheid hebben1. |
1 Rom. 7:7. |
|
| Vraag 114: |
Maar kunnen zij die tot God bekeerd zijn, deze geboden volbrengen? |
| Antwoord: |
Nee, want zelfs de allerheiligsten hebben in dit leven niet meer dan een klein begin van deze gehoorzaamheid1, maar wel zo, dat zij met een ernstig voornemen niet slechts naar sommige, maar naar alle geboden van God beginnen te leven2. |
1 Pred. 7:20; Rom. 7:14, 15; 1Kor. 13:9; 1Joh. 1:8, 10. 2 Ps. 1:2; Rom. 7:22; 1Joh. 2:3. |
|
| Vraag 115: |
Waarom laat God ons de tien geboden dan zo scherp prediken, als toch niemand ze in dit leven volbrengen kan? |
| Antwoord: |
Ten eerste wil God, dat wij ons leven lang onze
zondige aard steeds meer leren kennen1 en daardoor nog meer
begeren de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus te
zoeken2. |
1 Ps. 32:5; Rom. 3:20; 1Joh. 1:9. 2 Mat. 5:6; Rom. 7:24, 25. 3 1Kor. 9:24; Fil. 3:12-14. |
|
Het Gebed |
| Vraag 116: |
Waarom is het gebed voor de christenen noodzakelijk? |
| Antwoord: |
Omdat het gebed het voornaamste is in de dankbaarheid die God van ons eist1; bovendien wil God zijn genade en zijn Heilige Geest alleen geven aan hen die van harte en zonder ophouden Hem daarom bidden en daarvoor danken2. |
1 Ps. 50:14, 15. 2 Mat. 7:7, 8; Luc. 11:9, 10; 1Tes. 5:17, 18. |
|
| Vraag 117: |
Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord wordt? |
| Antwoord: |
Ten eerste dat wij alleen de enige ware God, die Zich
in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft1, van harte aanroepen2
om alles wat Hij ons geboden heeft te bidden3. |
1 Joh. 4:22-24; Opb. 19:10. 2 Ps. 145:18-20; Jak. 4:3, 8. 3 Rom. 8:26; Jak. 1:5; 1Joh. 5:14. 4 2Kron. 20:12; Ps. 143:2. 5 Ps. 2:11; Ps. 51:19; Jes. 66:2. 6 Rom. 8:15, 16; 10:14; Jak. 1:6-8. 7 Dan. 9:17-19; Joh. 14:13, 14; Joh. 15:16; 16:23. 8 Ps. 27:8; 143:1; Mat. 7:8. |
|
| Vraag 118: |
Wat heeft God ons bevolen in ons gebed van Hem te vragen? |
| Antwoord: |
Alles wat wij voor lichaam en ziel nodig hebben1, zoals de Here Christus dat samenvatte in het gebed dat Hij zelf ons geleerd heeft. |
1 Mat. 6:33; Jak. 1:17. |
|
| Vraag 119: |
Hoe luidt dat gebed? |
| Antwoord: |
Onze Vader, die in de hemelen zijt, |
| Vraag 120: |
Waarom heeft Christus ons geboden God aan te spreken als: Onze Vader? |
| Antwoord: |
Christus wil reeds bij het begin van ons gebed in ons
het kinderlijk ontzag en vertrouwen jegens God wekken, waarop ons gebed
gegrond moet zijn. |
1 Mat. 7:9-11; Luc. 11:11-13. |
|
| Vraag 121: |
Waarom wordt hieraan toegevoegd: die in de hemelen zijt? |
| Antwoord: |
Daarmee leert Christus ons over de hemelse majesteit van God niet aards te denken1, en van zijn almacht alles te verwachten wat wij voor lichaam en ziel nodig hebben2. |
1 Jer. 23:23, 24; Hand. 17:24-27. 2 Rom. 10:12. |
| Vraag 122: |
Wat is de eerste bede? |
| Antwoord: |
Uw naam worde geheiligd. |
1 Ps. 119:105; Jer. 9:24; 31:33, 34; Mat. 16:17; Joh. 17:3; Jak. 1:5. 2 Ex. 34:6, 7; Ps. 119:137, 138; 145:8, 9; Jer. 31:3; 32:18, 19; Mat. 19:17; Luc. 1:46-55; 1:68, 69; Rom. 3:3, 4; 11:22, 23; 11:33. 3 Ps. 71:8; 115:1; Mat. 5:16. |
| Vraag 123: |
Wat is de tweede bede? |
| Antwoord: |
Uw koninkrijk kome. |
1 Ps. 119:5; 143:10; Mat. 6:33. 2 Ps. 51:20; 122:6, 7. 3 Rom. 16:20; 1Joh. 3:8. 4 Rom. 8:22, 23; Opb. 22:17, 20. 5 1 Kor. 15:28. |
| Vraag 124: |
Wat is de derde bede? |
| Antwoord: |
Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de
aarde. |
1 Mat. 16:24; Tit. 2:11, 12. 2 Luc. 22:42; Rom. 12:2; Ef. 5:10. 3 1Kor. 7:22-24. 4 Ps. 103:20, 21. |
| Vraag 125: |
Wat is de vierde bede? |
| Antwoord: |
Geef ons heden ons dagelijks brood. |
1 Ps. 104:27, 28; 145:15, 16; Mat. 6:25, 26. 2 Hand. 14:17; 17:27, 28; Jak. 1:17. 3 Deut. 8:3; Ps. 37:3-7, 16, 17; 127:1, 2; 1Kor. 15:58. 4 Ps. 55:23; 62:11; 146:3; Jer. 17:5, 7. |
| Vraag 126: |
Wat is de vijfde bede? |
| Antwoord: |
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven
onze schuldenaren. |
1 Ps. 51:3; 143:2; Rom. 8:1; 1Joh. 2:1. 2 Mat. 6:14, 15. |
| Vraag 127: |
Wat is de zesde bede? |
| Antwoord: |
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van
de boze. |
1 Ps 103:14-16; Joh. 15:5. 2 Ef. 6:12; 1Pet. 5:8. 3 Joh. 15:19. 4 Rom. 7:23; Gal. 5:17. 5 Mat. 26:41; Mar. 13:33; 1Kor. 10:12, 13. 6 1Tes. 3:13; 5:23. |
|
| Vraag 128: |
Waarmee beëindigt u uw gebed? |
| Antwoord: |
Want van U is het koninkrijk en de kracht en de
heerlijkheid tot in eeuwigheid. |
1 1Kron. 29:10-12; Rom. 10:11-13; 2Pet. 2:9. 2 Ps. 115:1; Jer. 33:8, 9; Joh. 14:13. |
|
| Vraag 129: |
Wat betekent het woord: Amen? |
| Antwoord: |
Amen wil zeggen: Het is waar en zeker. |
1 2Kor. 1:20; 2Tim. 2:13. |
|
Deze tekst is afkomstig van www.gkv.nl. |
![]()
| Heid.Cat. | Kerkenregister | Totaal |
|
| ||||||||||