|
|
|
Aanmelden:
|
Heidelbergse CatechismusInhoudsopgave
Informatie
Over de Catechismus
Uw enige troost in leven en stervenZondag 1
Deel 1:
|
| Vraag 3: |
Waaruit kent u uw ellende? |
| Antwoord: |
Uit de wet van God1. |
1 Rom. 3:20. |
|
| Vraag 4: |
Wat eist God in zijn wet van ons? |
| Antwoord: |
Dat leert Christus ons in een samenvatting, Matteüs
22:37-40: |
1 Deut. 6:5; Lev. 19:18; Mar. 12:30, 31; Luc. 10:27. |
|
| Vraag 5: |
Kunt u dit alles volbrengen? |
| Antwoord: |
Nee1, want naar mijn aard ben ik erop uit om God en mijn naaste te haten2. |
1 Rom. 3:10, 20, 23; 1Joh. 1:8, 10. 2 Gen. 6:5; 8:21; Jer. 17:9; Rom. 7:23; 8:7; Ef. 2:3; Tit. 3:3. |
| Vraag 6: |
Heeft God de mens dan zo slecht en verkeerd geschapen? |
| Antwoord: | Nee, God heeft de mens goed1 en naar zijn beeld geschapen2, dat wil zeggen: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijn Schepper, naar waarheid kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige heerlijkheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen3. |
1 Gen. 1:31. 2 Gen. 1:26, 27. 3 Ef. 4:24; 2Kor. 3:18; Kol. 3:10. |
|
| Vraag 7: |
Waaruit komt deze verdorven aard van de mens dan voort? |
| Antwoord: | Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs1; want daar werd onze natuur zo verdorven, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden2. |
1 Gen. 3; Rom. 5:12, 18, 19. 2 Ps. 51:7; Joh. 3:6. |
|
| Vraag 8: |
Maar zijn wij zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad? |
| Antwoord: |
Ja1, behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden2. |
1 Gen. 6:5; 8:21; Job 14:4; 15:14, 16, 35; Jes. 53:6. 2 Joh. 3:3, 5; 1Kor. 12:3; 2Kor. 3:5. |
| Vraag 9: |
Doet God de mens dan geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan? |
| Antwoord: |
Nee, want God heeft de mens zo geschapen, dat hij dit kon doen1. Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, op ingeving van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd2. |
1 Gen. 1:27; Ef. 4:24. 2 Gen. 3:4-6; Rom. 5:12; 1Tim 2:13, 14. |
|
| Vraag 10: |
Wil God zo’n ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? |
| Antwoord: |
Beslist niet, maar God vertoornt Zich
verschrikkelijk, zowel over de zonde die ons aangeboren is als over de
zonden die wij doen. |
1 Gen. 2:17; Ex. 20:5; Ex. 34:7; Ps. 5:6; Nah. 1:2; Rom. 1:18; 5:12; Ef. 5:6; Heb. 9:27. 2 Deut. 27:26. |
|
| Vraag 11: |
Maar God is toch ook barmhartig? |
| Antwoord: |
God is wel barmhartig1, maar Hij is ook
rechtvaardig2. |
1 Ex. 20:6; 34:6, 7. 2 Ex. 20:5; 23:7; 34:7; Ps. 7:10; 3 Nah. 1:2, 3; 2Tes. 1:9. |
| Vraag 12: |
Hoe kunnen wij aan deze straf ontkomen en weer in genade aangenomen worden, nu wij naar Gods rechtvaardig oordeel straf in tijd en eeuwigheid verdiend hebben? |
| Antwoord: |
God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan1. Daarom moeten wij òf zelf òf door een ander volkomen betalen2. |
1 Gen. 2:17; Ex. 20:5; 23:7; Ezech. 18:4; Heb. 10:30. 2 Mat. 5:26; Rom. 8:3, 4. |
|
| Vraag 13: |
Maar kunnen wij zelf betalen? |
| Antwoord: |
Op geen enkele manier. Wij maken de schuld juist elke dag groter1. |
1 Job 4:18, 19; 9:2, 3; 15:16; Ps. 130:3; Mat. 6:12; 16:26; 18:25. |
|
| Vraag 14: |
Kan een schepsel dat alleen maar schepsel is, voor ons betalen? |
| Antwoord: |
Nee, want ten eerste wil God geen ander schepsel straffen voor de schuld die de mens gemaakt heeft1; ten tweede kan ook geen schepsel dat alleen maar schepsel is, de last van de eeuwige toorn van God tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen2. |
1 Gen. 3:17; Ezech. 18:4. 2 Ps 130:3; Nah. 1:6. |
|
| Vraag 15: |
Wat voor een Middelaar en Verlosser moeten wij dan zoeken? |
| Antwoord: |
Een Middelaar die een echt1 en rechtvaardig mens2 is en toch sterker dan alle schepselen, dat wil zeggen: die tegelijk echt God is3. |
1 1Kor. 15:21. 2 Heb. 7:26. 3 Jes. 7:14; 9:5; Jer. 23:6; Luc. 11:22; Rom. 8:3, 4. |
| Vraag 16: |
Waarom moet de Middelaar een echt en rechtvaardig mens zijn? |
| Antwoord: |
Omdat Gods gerechtigheid eist, dat de menselijke natuur, die gezondigd heeft, ook voor de zonde betaalt1, en omdat een mens die zelf zondaar is, niet voor anderen kan betalen2. |
1 Jes. 53:3-5; Jer. 33:15; Ezech. 18:4, 20; Rom. 5:12-15; 1Kor. 15:21; Heb. 2:14-16. 2 Ps. 49:8; Heb. 7:26, 27; 1Pet. 3:18. |
|
| Vraag 17: |
Waarom moet de Middelaar tegelijk echt God zijn? |
| Antwoord: |
Om uit kracht van zijn godheid1 de last van Gods toorn2 aan zijn menselijke natuur te kunnen dragen3, en ons de gerechtigheid en het leven te kunnen verwerven en teruggeven4. |
1 Jes. 9:5; Rom. 1:4; Heb. 1:3. 2 Deut. 4:24; Nah. 1:6; Ps. 130:3. 3 Jes. 53:4, 11. 4 Jes. 53:5, 11; Jes. 54:8; Joh. 3:16; Hand. 20:28; 1Pet. 3:18. |
|
| Vraag 18: |
Wie is dan deze Middelaar, die echt God1 en tegelijk een echt2 en rechtvaardig mens is3? |
| Antwoord: |
Onze Here Jezus Christus4, die ons door God geschonken is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing5. |
1 Jer. 23:6; Mal. 3:1; Rom. 8:3; Gal. 4:4; 1Joh. 5:20. 2 Luc. 1:42; 2:6, 7; Rom. 1:3; Fil. 2:7; Heb. 2:14, 17; 4:15. 3 Jes. 53:9, 11; Jer. 23:5; Luc. 1:35; Joh. 8:46; Heb. 4:15; 7:26; 1Pet. 1:19; 2:22; 3:18. 4 Mat. 1:23; Luc. 2:11; Joh. 1:1, 14; 14:6; Rom. 9:5; 1Tim. 2:5; 3:16; Heb. 2:9. 5 1Kor. 1:30; 2Kor. 5:21. |
|
| Vraag 19: |
Waaruit weet u dat? |
| Antwoord: |
Uit het heilig evangelie. God heeft dat eerst zelf in
het paradijs geopenbaard1. Daarna heeft Hij het door de
heilige aartsvaders2 en profeten laten verkondigen3. |
1 Gen. 3:15. 2 Gen. 12:3; 22:18; 26:4; 49:10. 3 Jes. 42:1-4; 43:25; 49:6; 53; Jer. 23:5, 6; 31:32, 33; Micha 7:18-20; Joh. 5:46; Hand. 3:22-24; 10:43; Rom. 1:2; Heb. 1:1. 4 Kol. 2:17; Heb. 10:1, 7. 5 Rom. 10:4; Gal. 3:24; 4:4, 5; Kol. 2:17. |
| Vraag 20: |
Krijgen dan alle mensen door Christus het heil terug, zoals zij in Adam veroordeeld zijn? |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Antwoord: |
Nee1, maar alleen zij die door waar geloof bij Hem worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen2. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1 Mat. 7:14; 22:14. 2 Ps. 2:12; Mar. 16:16; Joh. 1:12, 13; 3:16, 18, 36; Rom. 3:22; 11:20; Heb. 4:2, 3; 5:9; 10:39; 11:6. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vraag 21: |
Wat is waar geloof? |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Antwoord: |
Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles
voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft1. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1 Rom. 4:20, 21; Heb. 11:1, 3; Jak. 1:6. 2 Ps. 9:11; Rom. 4:16-21; 5:1; 10:10; Ef. 3:12; Heb. 4:16. 3 Mat. 16:17; Joh. 3:5; 6:29; Hand. 16:14; 2Kor. 4:13; Ef. 2:8; Fil. 1:29. 4 Mar. 16:15; Hand. 10:44; 16:14; Rom. 1:16; 10:17; 1Kor. 1:21. 5 Hab. 2:4; Hand. 10:43; Rom. 1:17; Gal. 3:11; Heb. 10:10, 38. 6 Luc. 1:77, 78; Joh. 20:31; Hand. 10:43; Rom. 3:24; 5:19; Gal. 2:16. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vraag 22: |
Wat moet een christen geloven? |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Antwoord: |
Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1 Mat. 28:19; Mar. 1:15; Joh. 20:31. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Apostolische Geloofsbelijdenis |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vraag 23: |
Hoe luiden die artikelen? |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Antwoord: |
|
| Vraag 24: |
Hoe worden deze artikelen ingedeeld? |
| Antwoord: |
In drie delen. |
|
|
|
| Vraag 25: |
Waarom noemt u drie Personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, terwijl er toch maar één God is1? |
| Antwoord: |
Omdat God Zich zo in zijn Woord geopenbaard heeft: deze drie onderscheiden Personen zijn de ene, ware en eeuwige God2. |
1 Deut. 6:4; Jes. 44:6; 45:5; 1Kor. 8:4, 6; Ef. 4:5, 6. 2 Gen. 1:2, 3; Jes. 61:1; Mat. 3:16, 17; 28:19; Luc. 1:35; 4:18; Joh. 14:26; 15:26; Hand. 2:32, 33; 2Kor. 13:13; Gal. 4:6; Ef. 2:18; Tit. 3:4-6. |
|
God de Vader en onze schepping |
| Vraag 26: |
Wat gelooft u, wanneer u zegt: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde? |
| Antwoord: |
Dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus,
die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft1
en ze nog door zijn eeuwige raad en voorzienigheid in stand houdt en
regeert2, om zijn Zoon Jezus Christus mijn God en mijn Vader
is3. |
1 Gen. 1:1; 2:3; Ex. 20:11; Job 33:4; 38:4-11; Ps. 33:6; Jes. 40:26; Hand. 4:24; 14:15. 2 Ps. 104:2-5, 27-30; Ps. 115:3; Mat. 10:29, 30; Rom. 11:36; Ef. 1:11. 3 Joh. 1:12; Rom 8:15; Gal. 4:5-7; Ef. 1:5. 4 Ps. 55:23; Mat. 6:25, 26; Luc. 12:22-24. 5 Rom. 8:28. 6 Rom. 8:37-39; 10:12; Opb. 1:8. 7 Mat. 6:32, 33; 7:9-11. |
| Vraag 27: |
Wat verstaat u onder Gods voorzienigheid? |
| Antwoord: |
De almachtige en tegenwoordige kracht van God1, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zó regeert2, dat loof en gras, regen en droogte3, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen4, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen5. |
1 Ps. 94:9, 10; Jes. 29:15, 16; Jer. 23:23, 24; Ezech. 8:12; Mat. 17:27; Hand. 17:25-28. 2 Hebr. 1:3. 3 Jer. 5:24; Hand. 14:17. 4 Spr. 22:2; Joh. 9:3. 5 Spr. 16:33; Mat. 10:29. |
|
| Vraag 28: |
Waarom is het voor ons belangrijk te weten dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid in stand houdt? |
| Antwoord: |
Om in alle tegenspoed geduldig1, in voorspoed dankbaar te zijn2 en voor de toekomst dit vaste vertrouwen te hebben in onze trouwe God en Vader, dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal3. Want alle schepselen zijn zo in zijn hand, dat zij zich tegen zijn wil niet roeren of bewegen kunnen4. |
1 Job 1:21, 22; Ps. 39:10; Rom. 5:3, 4; Jak. 1:3. 2 Deut. 8:10; 1Tes. 5:18. 3 Ps. 55:23; Rom. 5:4, 5; 8:38, 39. 4 Job 1:12; 2:6; Spr. 21:1; Hand. 17:25-28. |
|
God de Zoon en onze verlossing |
| Vraag 29: |
Waarom wordt de Zoon van God Jezus, dat is Verlosser, genoemd? |
| Antwoord: |
Omdat Hij ons verlost van al onze zonden1, en omdat er bij niemand anders enig behoud te zoeken en te vinden is2. |
1 Mat. 1:21; Hebr 7:25. 2 Jes. 43:11; Joh. 15:4, 5; Hand. 4:11, 12; 1Tim. 2:5; 1Joh. 5:11, 12. |
|
| Vraag 30: |
Geloven zij dan wel in de enige Verlosser Jezus, die hun behoud en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf of ergens anders zoeken? |
| Antwoord: |
Nee, maar zij verloochenen met de daad de enige
Verlosser Jezus, ook al roemen zij met de mond in Hem1. |
1 1Kor. 1:13, 30, 31; Gal. 5:4. 2 Jes. 9:6; Joh. 1:16; Kol. 1:19, 20; 2:10; Heb. 12:2; 1Joh. 1:7. |
| Vraag 31: |
Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde, genoemd? |
| Antwoord: |
Omdat Hij door God de Vader is aangesteld en met de
Heilige Geest gezalfd1 tot onze hoogste Profeet en Leraar,
tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning. |
1 Ps. 45:8; Jes. 61:1; Luc. 4:18; Hand. 10:38; Heb. 1:9. 2 Deut. 18:15; Jes. 55:4; Mat. 11:27; Joh. 1:18; 15:15; Hand. 3:22. 3 Ps. 110:4; Heb. 7:21; 9:12, 14, 28; 10:12, 14. 4 Rom. 8:34; Heb. 7:25; 9:24; 1Joh. 2:1. 5 Ps. 2:6; Zach. 9:9; Mat. 21:5; 28:18; Luc. 1:33; Joh. 10:28; Opb. 12:10, 11. |
|
| Vraag 32: |
Maar waarom wordt u een christen genoemd1? |
| Antwoord: |
Omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en
zo deel heb aan zijn zalving2, om: |
1 Hand. 11:26. 2 Jes. 59:21; Joël 2:28; Hand. 2:17; 1Kor. 6:15; 1Joh. 2:27. 3 Mat. 10:32, 33; Rom. 10:10. 4 Ex. 19:6; Rom. 12:1; 1Petr. 2:5; Opb. 1:6; 5:8, 10. 5 Rom. 6:12, 13; Gal. 5:16, 17; Ef. 6:11; 1Tim. 1:18, 19; 1Pet. 2:9, 11. 6 2Tim. 2:12; Opb. 22:5. |
| Vraag 33: |
Waarom wordt Christus de eniggeboren Zoon van God genoemd? Wij zijn toch ook Gods kinderen? |
| Antwoord: |
Omdat alleen Hij de eeuwige en natuurlijke Zoon van God is1. Maar wij zijn om Christus' wil uit genade tot Gods kinderen aangenomen2. |
1 Joh. 1:14, 18; 3:16; Rom. 8:32; Heb. 1:1, 2; 1Joh. 4:9. 2 Joh. 1:12; Rom. 8:15-17; Gal. 4:6; Ef. 1:5, 6. |
|
| Vraag 34: |
Waarom noemt u Hem onze Here? |
| Antwoord: |
Omdat Hij ons met lichaam en ziel, niet met goud of zilver, maar met zijn kostbaar bloed van al onze zonden vrijgekocht en uit alle macht van de duivel verlost heeft. Zo heeft Hij ons tot zijn eigendom gemaakt1. |
1 Joh. 20:28; 1Kor. 6:20; 7:23; Ef. 1:7; 1Tim. 2:6; 1Pet. 1:18, 19; 2:9. |
| Vraag 35: |
Wat belijdt u met de woorden: die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria? |
| Antwoord: |
De eeuwige Zoon van God, die echt en eeuwig God is en blijft1, heeft door de werking van de Heilige Geest echte menselijke natuur aangenomen2 uit het vlees en bloed van de maagd Maria3, om het ware zaad van David te zijn4, zijn broeders in alles gelijk, maar zonder zonde5. |
1 Mat. 1:23; 3:17; 16:16; 17:5; Mar. 1:11; Joh. 1:1; 17:3, 5; 20:28; Rom. 1:3, 4; 9:5; Fil. 2:6; Kol. 1:15, 16; Tit. 2:13; Heb. 1:3; 1Joh. 5:20. 2 Mat. 1:18, 20; Luc. 1:35. 3 Luc. 1:31, 42, 43; Joh. 1:14; Gal. 4:4. 4 2Sam. 7:12; Ps. 132:11; Mat. 1:1; Luc. 1:32; Hand. 2:30, 31; Rom. 1:3. 5 Fil. 2:7; Heb. 2:14, 17; 4:15; 7:26, 27. |
|
| Vraag 36: |
Wat is voor u de waarde van de heilige ontvangenis en geboorte van Christus? |
| Antwoord: |
Zo is Hij onze Middelaar1, die met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt2. |
1 Heb. 2:16-18; 7:26, 27. 2 Ps. 32:1; Jes. 53:11; Rom. 8:3, 4; 1Kor. 1:30, 31; Gal. 4:4, 5; 1Pet. 1:18, 19; 3:18. |
| Vraag 37: |
Wat belijdt u met het woord: geleden? |
| Antwoord: |
Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde,
maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van
het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen1. |
1 Jes. 53:4, 12; 1Tim. 2:6; 1Pet. 2:24; 3:18. 2 Jes. 53:10; Rom. 3:25; 1Kor. 5:7; Ef. 5:2; Heb. 9:28; 10:14; 1Joh. 2:2; 4:10. 3 Gal. 3:13; Kol. 1:13; Heb. 9:12; 1Pet. 1:18, 19. 4 Joh. 3:16; 6:51; 2Kor. 5:21; Heb. 9:15; 10:19. |
|
| Vraag 38: |
Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden? |
| Antwoord: |
Christus is onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld1, om ons te bevrijden van het strenge oordeel van God, dat over ons zou komen2. |
1 Mat. 27:24; Luc. 23:13-15; Joh. 18:38; 19:4, 11. 2 Jes. 53:4, 5; 2Kor. 5:21; Gal. 3:13. |
|
| Vraag 39: |
Heeft het een bijzondere betekenis dat Christus is gekruisigd en niet op een andere wijze is gestorven? |
| Antwoord: |
Ja, want daardoor ben ik er zeker van, dat Hij de vloek die op mij lag, op Zich geladen heeft1, omdat de kruisdood door God vervloekt was2. |
1 Gal. 3:13. 2 Deut. 21:23. |
| Vraag 40: |
Waarom moest Christus Zich tot in de dood vernederen? |
| Antwoord: |
Omdat vanwege Gods gerechtigheid en waarheid1 niet anders voor onze zonden betaald kon worden dan door de dood van Gods Zoon2. |
1 Gen. 2:17. 2 Rom. 8:3, 4; Fil. 2:8; Heb. 2:9, 14, 15. |
|
| Vraag 41: |
Waarom is Christus begraven? |
| Antwoord: |
Om daardoor aan te tonen dat Hij echt gestorven was1. |
1 Mat. 27:59, 60; Luc. 23:53; Joh. 19:40-42; Hand. 13:29; 1Kor. 15:3, 4. |
|
| Vraag 42: |
Nu Christus voor ons gestorven is, waarom moeten wij dan nog sterven? |
| Antwoord: |
Onze dood is geen betaling voor onze zonden1, maar alleen een afsterven van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven2. |
1 Mar. 8:37. 2 Joh. 5:24; Rom. 7:24, 25; Fil. 1:23. |
|
| Vraag 43: |
Wat is voor ons nog meer de waarde van het offer en de dood van Christus aan het kruis? |
| Antwoord: |
Door zijn kracht wordt onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven1, opdat de slechte begeerten van het vlees in ons niet meer regeren2, maar opdat wij onszelf aan Christus offeren als een offer van dankbaarheid3. |
1 Rom 6:6. 2 Rom 6:8, 11, 12. 3 Rom. 12:1. |
|
| Vraag 44: |
Waarom volgt er: neergedaald in de hel? |
| Antwoord: |
Daardoor mag ik er in mijn felste aanvechtingen zeker
van zijn en er rijke troost uit putten, dat mijn Here Jezus Christus mij
van de angst en pijn van de hel verlost heeft1. |
1 Jes. 53:5. 2 Mat. 26:38; 27:46; Heb. 5:7. |
| Vraag 45: |
Wat is voor ons de waarde van de opstanding van Christus? |
| Antwoord: |
Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood
overwonnen, om ons te doen delen in de gerechtigheid, die Hij door zijn
dood voor ons had verworven1. |
1 Rom. 4:25; 1Kor. 15:16-18; 1Pet. 1:3. 2 Rom. 6:4; Kol. 3:1-3; Ef. 2:4-6. 3 Rom. 8:11; 1Kor. 15:20-22. |
| Vraag 46: |
Wat belijdt u met de woorden: opgevaren naar de hemel? |
| Antwoord: |
Dat Christus voor de ogen van zijn discipelen van de aarde naar de hemel is opgenomen1 en daar ons ten goede is2, totdat Hij terugkomt om te oordelen de levenden en de doden3. |
1 Mar. 16:19; Luc. 24:51; Hand. 1:9. 2 Rom. 8:34; Ef. 4:10; Kol. 3:1; Heb. 4:14; 7:24, 25; 9:24. 3 Mat. 24:30; Hand. 1:11. |
|
| Vraag 47: |
Is Christus dan niet bij ons tot aan de voleinding van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft1? |
| Antwoord: |
Christus is echt mens en echt God. Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde2, maar naar zijn godheid, majesteit, genade en Geest verlaat Hij ons nooit meer3. |
1 Mat. 28:20. 2 Mat. 26:11; Joh. 16:28; Joh. 17:11; Hand. 3:21; Heb. 8:4. 3 Mat. 28:20; Joh. 14:16-18; 16:13; Ef. 4:8. |
|
| Vraag 48: |
Maar als de menselijke natuur niet overal is waar de godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkaar gescheiden? |
| Antwoord: |
Beslist niet. Want zijn godheid kan door niets ingesloten worden en is overal tegenwoordig1. Daaruit volgt dat deze godheid wel buiten haar aangenomen mensheid is2, maar toch ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft. |
1 Jes. 66:1; Jer. 23:23, 24; Hand. 7:49; 17:27, 28. 2 Mat. 28:6; Joh. 3:13; 11:15; Kol. 2:9. |
|
| Vraag 49: |
Wat is voor ons de waarde van de hemelvaart van Christus? |
| Antwoord: |
Ten eerste is Hij in de hemel voor het aangezicht van
zijn Vader om voor ons te pleiten1. |
1 Rom. 8:34; 1Joh. 2:1. 2 Joh. 14:2, 3; Joh. 17:24; Ef. 2:6. 3 Joh. 14:16; 16:7; Hand. 2:33; 2Kor. 1:22; 5:5. 4 Fil. 3:20; Kol. 3:1. |
| Vraag 50: |
Waarom wordt eraan toegevoegd: en zit aan de rechterhand van God? |
| Antwoord: |
Christus is opgevaren naar de hemel om Zich daar te bewijzen als het Hoofd van zijn christelijke kerk1, door wie de Vader alle dingen regeert2. |
1 Ef. 1:20-23; Kol. 1:18. 2 Mat. 28:18; Joh. 5:22. |
|
| Vraag 51: |
Wat is voor ons de waarde van deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus? |
| Antwoord: |
Ten eerste giet Hij door zijn Heilige Geest in ons,
zijn leden, de hemelse gaven uit1. |
1 Hand. 2:33; Ef. 4:8, 10-12. 2 Ps. 2:9; 110:1, 2; Joh. 10:28; Ef. 4:8; Opb. 12:5. |
|
| Vraag 52: |
Welke troost schenkt u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? |
| Antwoord: |
Dat ik in alle droefheid en vervolging met opgeheven
hoofd juist Hem als Rechter uit de hemel verwacht, die Zich eerst om mij
voor Gods rechterstoel gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft1. |
1 Luc. 21:28; Rom. 8:23, 24; Fil. 3:20; 1Tes. 4:16; Tit. 2:13. 2 Mat. 25:41-43; 2Tes. 1:6, 8, 9. 3 Mat. 25:34-36; 2Tes. 1:7, 10. |
|
God de Heilige Geest en onze heiliging |
| Vraag 53: |
Wat gelooft u van de Heilige Geest? |
| Antwoord: |
Ten eerste dat Hij samen met de Vader en de Zoon echt
en eeuwig God is1. |
1 Gen. 1:2; Hand. 5:3, 4; 1Kor. 2:10; 3:16; 6:19. 2 Mat. 28:19; 2Kor. 1:21, 22; Gal. 3:14; 4:6; Ef. 1:13. 3 Joh. 16:14; 1Kor. 2:12; 1Pet. 1:2. 4 Joh. 15:26; Hand. 9:31. 5 Joh. 14:16, 17; 1Pet. 4:14. |
| Vraag 54: |
Wat gelooft u van de heilige, algemene, christelijke kerk? |
| Antwoord: |
Dat de Zoon van God1 uit het hele
menselijke geslacht2 Zich een gemeente3, die tot
het eeuwige leven uitverkoren is4, van het begin van de
wereld tot aan het einde5 vergadert, beschermt en onderhoudt6.
Hij doet dit door zijn Geest en Woord7 in eenheid van het
ware geloof8. |
1 Joh. 10:11; Ef. 4:11-13; 5:25, 26. 2 Gen. 26:4; Jes. 49:6; Rom. 10:12, 13; Opb. 5:9. 3 Ps. 111:1; Hand. 20:28; Heb. 12:22, 23. 4 Rom. 8:29, 30; Ef. 1:10-14; 1Pet. 2:9. 5 Ps. 71:17, 18; Jes. 59:21; 1Kor. 11:26. 6 Ps. 129:4, 5; Mat. 16:18; Joh. 10:16, 28. 7 Jes. 59:21; Rom. 1:16; 10:14-17; Ef. 5:26. 8 Joh. 17:21; Hand. 2:42; Ef. 4:3-6; 1Tim. 3:15. 9 Rom. 8:10; 1Joh. 3:14, 19-21. 10 Ps. 23:6; Joh. 10:28; Rom. 8:35-39; 1Kor. 1:8,9; 1Pet. 1:5; 1Joh. 2:19. |
|
| Vraag 55: |
Wat verstaat u onder de gemeenschap der heiligen? |
| Antwoord: |
Ten eerste dat de gelovigen allen samen en ieder
persoonlijk als leden gemeenschap hebben met de Here Christus en deel
hebben aan al zijn schatten en gaven1. |
1 Rom. 8:32; 1Kor. 6:17; 12:12, 13; 1Joh. 1:3. 2 1Kor. 12:21; 13:1-7; Fil. 2:2-5. |
|
| Vraag 56: |
Wat belijdt u met de woorden: vergeving van de zonden? |
| Antwoord: |
Omdat Christus voldaan heeft, wil God nooit meer denken aan al mijn zonden1, ook niet aan mijn zondige aard2, waartegen ik mijn leven lang moet strijden. Maar God schenkt mij uit genade de gerechtigheid van Christus3, zodat ik nooit meer door Hem veroordeeld word4. |
1 Ps. 103:3, 10, 12; Jer. 31:34; Micha 7:19; 2Kor. 5:19. 2 Rom. 7:23-25. 3 2Kor. 5:21; 1Joh. 1:7; 2:1, 2. 4 Joh. 3:18; 5:24. |
| Vraag 57: |
Welke troost geeft u de opstanding van het vlees? |
| Antwoord: |
Dat niet alleen mijn ziel na dit leven terstond tot haar Hoofd Christus opgenomen zal worden1, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt, weer met mijn ziel verenigd en aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijkvormig zal worden2. |
1 Luc. 16:22; 20:37, 38; 23:43; Fil. 1:21, 23; Opb. 14:13. 2 Job 19:25-27; 1Kor. 15:53, 54; Fil. 3:21; 1Joh. 3:2. |
|
| Vraag 58: |
Welke troost put u uit het artikel over het eeuwige leven? |
| Antwoord: |
Evenals ik nu al het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voel1, zal ik ook na dit leven volkomen heerlijkheid bezitten, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en die in geen mensenhart is opgekomen, en wel om God daarin eeuwig te prijzen2. |
1 Joh. 17:3; 2Kor. 5:2, 3. 2 Joh. 17:24; 1Kor. 2:9. |
|
De rechtvaardiging |
| Vraag 59: |
Wat hebt u er nu aan, dat u dit alles gelooft? |
| Antwoord: |
Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven1. |
1 Hab. 2:4; Joh. 3:36; Rom. 1:17. |
|
| Vraag 60: |
Hoe bent u rechtvaardig voor God? |
| Antwoord: |
Alleen door waar geloof in Jezus Christus1. |
1 Rom. 3:21-26; 5:1, 2; Gal. 2:16; Ef. 2:8, 9; Fil. 3:9. 2 Rom. 3:9; 7:23. 3 Deut. 9:6; Ezech. 36:22; Rom. 3:24; 7:23-25; Ef. 2:8; Tit. 3:5. 4 1Joh. 2:1, 2. 5 Rom. 4:4-8; 2Kor. 5:19. 6 2Kor. 5:21. 7 Joh. 3:18; Rom 3:22. |
|
| Vraag 61: |
Waarom zegt u dat u alleen door het geloof rechtvaardig bent? |
| Antwoord: |
Niet omdat ik door de waarde van mijn geloof voor God aangenaam ben. Maar alleen de voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus is mijn gerechtigheid voor God1. En alleen door het geloof kan ik die aannemen en tot mijn eigendom maken2. |
1 1Kor. 1:30; 2:2. 2 1Joh. 5:10. |
| Vraag 62: |
Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn? |
| Antwoord: |
Omdat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, geheel volmaakt en in alle opzichten met Gods wet in overeenstemming moet zijn1, terwijl zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn2. |
1 Deut. 27:26; Gal. 3:10. 2 Jes. 64:6. |
|
| Vraag 63: |
Maar hebben onze goede werken dan geen verdienste? God wil ze toch in dit en in het toekomstige leven belonen? |
| Antwoord: |
Deze beloning wordt niet uit verdienste, maar uit genade gegeven1. |
1 Luc. 17:10. |
|
| Vraag 64: |
Maar maakt deze leer de mensen niet zorgeloos en goddeloos? |
| Antwoord: |
Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort1. |
1 Mat. 7:18; Joh. 15:5. |
|
Woord en sacramenten |
| Vraag 65: |
Nu alleen het geloof ons aan Christus en aan al zijn weldaden deel geeft, waar komt dit geloof vandaan? |
| Antwoord: |
Van de Heilige Geest1, die het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie2 en het versterkt door het gebruik van de sacramenten3. |
1 Joh. 3:5; 1Kor. 2:12; 12:3; Ef. 1:17, 18; 2:8; Fil. 1:29. 2 Hand. 16:14; Rom. 10:17; 1Pet. 1:23. 3 Mat. 28:19. |
|
| Vraag 66: |
Wat zijn sacramenten? |
| Antwoord: |
Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels,
die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van
het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen. |
1 Gen. 17:11; Lev. 6:25; Deut. 30:6; Jes. 6:6, 7; 54:9; Ezech. 20:12; Rom. 4:11; Heb. 9:7, 9; 9:24. |
|
| Vraag 67: |
Hebben het woord en de sacramenten beide als doel ons geloof te wijzen op het offer van Jezus Christus aan het kruis, als de enige grond van ons heil1? |
| Antwoord: |
Ja, want de Heilige Geest leert ons in het evangelie en bevestigt ons door de sacramenten, dat ons volkomen heil rust in het enige offer van Christus, dat voor ons aan het kruis gebracht is. |
1 Rom. 6:3; Gal. 3:27. |
|
| Vraag 68: |
Hoeveel sacramenten heeft Christus in het nieuwe verbond ingesteld? |
| Antwoord: |
Twee, namelijk de heilige doop en het heilig avondmaal. |
|
|
|
De heilige Doop |
| Vraag 69: |
Hoe wordt u in de heilige doop onderwezen en ervan verzekerd, dat het enige offer van Christus aan het kruis u ten goede komt? |
| Antwoord: |
Christus heeft het waterbad van de doop ingesteld1 en daarbij beloofd, dat ik met zijn bloed en Geest van de onreinheid van mijn ziel, dat is van al mijn zonden, gewassen ben2. Dit is even zeker als ik gewassen ben met het water, dat de onreinheid van het lichaam wegneemt. |
1 Mat. 28:19. 2 Mat. 3:11; Mar. 1:4; 16:16; Luc. 3:3; Joh. 1:33; Hand. 2:38; Rom. 6:3, 4; 1Pet. 3:21. |
|
| Vraag 70: |
Wat betekent dat: met het bloed en de Geest van Christus gewassen te zijn? |
| Antwoord: |
Dat wij van God vergeving van de zonden hebben uit
genade, om het bloed van Christus, dat Hij in zijn offer aan het kruis
voor ons vergoten heeft1. |
1 Ezech. 36:25; Zach. 13:1; Heb. 12:24; 1Pet. 1:2; Opb. 1:5; 7:14. 2 Ezech. 36:26, 27; Joh. 1:33; 3:5; Rom. 6:4; 1Kor. 6:11; 12:13; Kol. 2:11, 12. |
|
| Vraag 71: |
Waar heeft Christus ons beloofd dat Hij ons even zeker met zijn bloed en Geest wassen wil, als wij met het doopwater gewassen worden? |
| Antwoord: |
In de instelling van de doop, die zo luidt: Gaat
dan heen, maakt alle volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam
van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Matteüs 28:19. |
| Vraag 72: |
Is dat waterbad dan de afwassing van de zonden zelf? |
| Antwoord: |
Nee1, want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigen ons van alle zonden2. |
1 Mat. 3:11; Ef. 5:26; 1Pet. 3:21. 2 1Kor. 6:11; 1Joh. 1:7. |
|
| Vraag 73: |
Waarom noemt de Heilige Geest de doop dan het bad van de wedergeboorte en de afwassing van de zonden? |
| Antwoord: |
God zegt dat niet zonder dringende reden. |