Afbeelding logoKerkenregister
Kerken in Nederland en Vlaanderen
 

Start Menustructuur Vraag & Antwoord Aanmelding Inhoud


Heidelb Catechismus

Denominaties Geloofsbelijdenissen Heidelb Catechismus Aanpassingen Nieuws Banners


 

Aanmelden:
Kerkenregister
Predikantenreg.

 

Heidelbergse Catechismus

Inhoudsopgave

bullet

Informatie

bullet

Over de Catechismus

bullet

Uw enige troost in leven en sterven
bullet

Zondag 1

bullet

Deel 1: Weten hoe groot mijn zonden en ellende zijn
bullet

Zondag 2 - 4

bullet

Deel 2: Weten hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost word
bullet

Zondag 5-31

bullet

Deel 3: Weten hoe ik God voor zo’n verlossing dankbaar moet zijn
bullet

Zondag 32-52

Informatie

De Heidelbergse Catechismus is in 1563 uitgegeven in Heidelberg, door Frederik de Vrome, keurvorst van de Paltz (1559-1576).  Hij is ontworpen als leerboekje, in de eerste plaats voor de jeugd, om grip te krijgen op het gereformeerde geloof.  Als één van de voornaamste auteurs geldt Zacharias Ursinus (1534-1583).
 
Onder meer via Nederlandse vluchtelingen in Heidelberg werd deze catechismus al snel vertaald en verspreid in Nederland.   Men herkende er het eigen geloof in.   Hij werd officieel als leerboek van de kerk aangenomen, onder andere door de Synode van Dordrecht (1618-1619).
 
De tekst van het Gereformeerd Kerkboek is vastgesteld op de Generale synode Heemse 1984-1985.  Om iets meer van de achtergrond te proeven wordt hier ook de tekst weergegeven van het onderdeel 'Over de Catechismus' uit de kerkorde van de Paltz uit 1563 zoals die in eigentijds Nederlands is opgenomen in de Acta van de Generale Synode Heemse (II,258-259).

Over de Catechismus

Volgens de christelijke geloofsleer betekent catechismus: een korte en eenvoudige, mondelinge weergave van de voornaamste stukken uit de christelijke leer.
 
Daarbij wordt aan de jonge en aan de ongestudeerde mensen teruggevraagd, wat zij geleerd hebben.  Want vanaf het begin van de christelijke kerk hebben alle godvrezende mensen zich beijverd om hun kinderen thuis, op school en in de kerk te onderwijzen in de vrees voor de Here.

Zonder twijfel deden zij dit om de volgende oorzaken, die ons ook terecht daartoe moeten brengen. 

  1. Want in de eerste plaats hebben zij er goed aan gedacht, dat de aangeboren verdorvenheid van de mens zou overheersen en daardoor kerk en politiek bewind zou te gronde richten, wanneer men deze kinderen niet tijdig bekend zou maken met heilzaam onderricht.

  2. In de tweede plaats heeft ook het uitdrukkelijk bevel van God hen daartoe gebracht. Exodus 12:13 en Deut. 4:6 en 11.  Dit zijn hoofdstukken, waar de Here als volgt spreekt: "Dit woord (de tien geboden) dat Ik u heden gebied, zult gij ter harte nemen en zult gij uw kinderen inscherpen en erover spreken, thuis en onderweg, wanneer u gaat slapen en wanneer u opstaat."

De kinderen van Israël, die na hun besnijdenis tot hun verstand gekomen waren, werden onderwezen in de verborgenheid van dit Verbondsteken en ook van het Verbond van God.
Zo moeten, tenslotte, ook onze kinderen onderwezen worden over de doop, die zij ontvingen, over het ware christelijke geloof en over de vergeving van de zonden.
Onze kinderen moeten hierin onderwezen worden, opdat zij voor de hele christelijke gemeente hun geloof belijden, voordat zij tot de tafel van de Here worden toegelaten.
 
Deze gewoonte om met volle aandacht bezig te zijn met de catechismus - zoals God ons beveelt - is zo lang in de christelijke kerken gehandhaafd totdat de gehate satan door de antichrist, dat is de paus, net als alle andere goede gewoontes en regels, zo ook deze heeft vernietigd.
Hij heeft daarvoor in de plaats gesteld zijn eigen knoeierij en kaakslag, de tweede gruwel, die hij het vormsel noemt.

Daarom moet de catechismus op de volgende manier in ere gehouden worden.

Het volk is vroeger onder het pausdom zonder catechismus opgevoed en het vergeet gemakkelijk dat stuk van de christelijke godsdienst.
Daarom is het noodzakelijk, dat net zo goed in de kleine en grote dorpen als in steden, op elke zon- en feestdag de predikant een gedeelte uit de catechismus voorleest.
 
Hij moet dat gedeelte duidelijk en begrijpelijk voorlezen, voordat hij met zijn preek begint.  Op deze manier moet de hele catechismus in 9 zondagen voorgelezen worden.

  1. De 1e zondag: tot aan het tweede deel, vraag 12.

  2. De 2e zondag: tot aan het artikel over Gods Zoon, vraag 29.

  3. De 3e zondag: tot aan de vraag over de hemelvaart van Christus, vraag 46.

  4. De 4e zondag: tot aan de vraag "wat baat het u nu, dat u dit alles gelooft?" vraag 59.

  5. De 5e zondag: tot aan het heilig avondmaal, vraag 75.

  6. De 6e zondag: tot aan het derde deel van de catechismus, vraag 86.

  7. De 7e zondag: tot aan de vraag "wat eist God in het 5e gebod?" vraag 104.

  8. De 8e zondag: tot aan het gebed, vraag 116.

  9. De 9e zondag: tot aan het eind van het gebed, dat is het eind van de catechismus.

  10. Op de 10e zondag moet de predikant, voordat hij met de preek begint, de teksten voorlezen, die aan het eind van de catechismus genoemd worden en waarin een ieder herinnerd wordt aan zijn roeping.

Verder moet elke zondagmiddag de catechismuspreek gehouden worden op de tijd, die voor iedere plaatselijke kerk het meest geschikt is.  En wel zó, dat de predikant na het zingen eerst het Onze Vader bidt en God aanroept om een juist verstaan van Zijn Woord.  Daarna zal hij de 10 geboden duidelijk aan de gemeente voorlezen.
Vervolgens moet hij de beginnelingen, die vragen waarover gepreekt wordt nog niet kunnen leren, ondervragen.
En op ordelijke wijze zal hij eerst een tijd lang onderricht geven over de tekst en daarna zoetjesaan over de vraag.
Hierna laat hij enige jongeren een bepaald aantal vragen uit de catechismus opzeggen (hierom hebben wij dan ook de catechismus in zondagen laten verdelen), vragen, die in een voorgaande en met name in de volgende preek uitgelegd worden en die van te voren op school of thuis geleerd zijn.
En wanneer deze vragen zo in het bijzijn van de gemeente door enige jongeren opgezegd zijn, moet de predikant enkele volgende vragen eenvoudig en kort verklaren en uitleggen, zó dat hij de catechismus tenminste éénmaal per jaar doorpreekt.

Uw enige troost in leven en sterven

Zondag 1

Vraag 1:

Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Antwoord:

Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven1, het eigendom ben, niet van mijzelf2, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus3. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald4 en mij uit alle macht van de duivel verlost5.
Hij bewaart mij zo6, dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd kan vallen7, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil 8.
Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven9 en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven10.

1 Rom. 14:8; 1Tes. 5:9, 10. 2 1Kor. 6:19, 20. 3 1Kor. 3:23; Tit. 2:14. 4 1Pet. 1:18, 19; 1Joh. 1:7; 1Joh. 2:2, 12. 5 Joh. 8:34-36; Heb. 2:14, 15; 1Joh. 3:8. 6 Joh. 6:39; 10:27-30; 2Tes. 3:3; 1Pet. 1:5. 7 Mat. 10:29, 30; Luc. 21:18. 8 Rom. 8:28. 9 Rom 8:16; 2Kor. 1:22; 5:5; Ef. 1:13, 14. 10 Rom. 8:14; 1Joh. 3:3.
Vraag 2:

Wat moet u weten om door deze troost gelukkig te leven en te sterven?

Antwoord:

Ten eerste hoe groot mijn zonden en ellende zijn1.
Ten tweede hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost word2.
Ten derde hoe ik God voor zo’n verlossing dankbaar moet zijn3.

1 Mat. 9:12; Joh. 9:41; Rom 3:10; 1Joh. 1:9, 10. 2 Luc. 24:46, 47; Joh. 17:3; Hand. 4:12; 10:43; 1Kor. 6:11; Tit. 3:3-7. 3 Ps. 50:14, 15; 116:12, 13; Mat. 5:16; Rom. 6:12, 13; Ef. 5:10; 2Tim. 2:15; 1Pet. 2:9, 12. Zie voorts Mat. 11:28-30; Ef. 5:8.

Deel 1:
Weten hoe groot mijn zonden en ellende zijn

Zondag 2

Vraag 3:

Waaruit kent u uw ellende?

Antwoord:

Uit de wet van God1.

1 Rom. 3:20.
Vraag 4:

Wat eist God in zijn wet van ons?

Antwoord:

Dat leert Christus ons in een samenvatting, Matteüs 22:37-40:
Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.
Dit is het grote en eerste gebod.
Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten
1.

1 Deut. 6:5; Lev. 19:18; Mar. 12:30, 31; Luc. 10:27.
Vraag 5:

Kunt u dit alles volbrengen?

Antwoord:

Nee1, want naar mijn aard ben ik erop uit om God en mijn naaste te haten2.

1 Rom. 3:10, 20, 23; 1Joh. 1:8, 10. 2 Gen. 6:5; 8:21; Jer. 17:9; Rom. 7:23; 8:7; Ef. 2:3; Tit. 3:3.

Zondag 3

Vraag 6:

Heeft God de mens dan zo slecht en verkeerd geschapen?

Antwoord: Nee, God heeft de mens goed1 en naar zijn beeld geschapen2, dat wil zeggen: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijn Schepper, naar waarheid kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige heerlijkheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen3.
1 Gen. 1:31. 2 Gen. 1:26, 27. 3 Ef. 4:24; 2Kor. 3:18; Kol. 3:10.
Vraag 7:

Waaruit komt deze verdorven aard van de mens dan voort?

Antwoord: Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs1; want daar werd onze natuur zo verdorven, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden2.
1 Gen. 3; Rom. 5:12, 18, 19. 2 Ps. 51:7; Joh. 3:6.
Vraag 8:

Maar zijn wij zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit op elk kwaad?

Antwoord:

Ja1, behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden2.

1 Gen. 6:5; 8:21; Job 14:4; 15:14, 16, 35; Jes. 53:6. 2 Joh. 3:3, 5; 1Kor. 12:3; 2Kor. 3:5.

Zondag 4

Vraag 9:

Doet God de mens dan geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?

Antwoord:

Nee, want God heeft de mens zo geschapen, dat hij dit kon doen1. Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, op ingeving van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd2.

1 Gen. 1:27; Ef. 4:24. 2 Gen. 3:4-6; Rom. 5:12; 1Tim 2:13, 14.
Vraag 10:

Wil God zo’n ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?

Antwoord:

Beslist niet, maar God vertoornt Zich verschrikkelijk, zowel over de zonde die ons aangeboren is als over de zonden die wij doen.
Hij wil die dan ook door een rechtvaardig oordeel in tijd en eeuwigheid straffen1, want Hij heeft gezegd: Vervloekt is een ieder die zich niet houdt aan alles wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen, Galaten 3:102.

1 Gen. 2:17; Ex. 20:5; Ex. 34:7; Ps. 5:6; Nah. 1:2; Rom. 1:18; 5:12; Ef. 5:6; Heb. 9:27. 2 Deut. 27:26.
Vraag 11:

Maar God is toch ook barmhartig?

Antwoord:

God is wel barmhartig1, maar Hij is ook rechtvaardig2.
Daarom eist zijn gerechtigheid dat de zonde, die tegen de allerhoogste majesteit van God begaan is, ook met de zwaarste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft wordt3.

1 Ex. 20:6; 34:6, 7. 2 Ex. 20:5; 23:7; 34:7; Ps. 7:10; 3 Nah. 1:2, 3; 2Tes. 1:9.

Deel 2:
Weten hoe ik van al mijn zonden
en ellende verlost word

Zondag 5

Vraag 12:

Hoe kunnen wij aan deze straf ontkomen en weer in genade aangenomen worden, nu wij naar Gods rechtvaardig oordeel straf in tijd en eeuwigheid verdiend hebben?

Antwoord:

God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan1. Daarom moeten wij òf zelf òf door een ander volkomen betalen2.

1 Gen. 2:17; Ex. 20:5; 23:7; Ezech. 18:4; Heb. 10:30. 2 Mat. 5:26; Rom. 8:3, 4.
Vraag 13:

Maar kunnen wij zelf betalen?

Antwoord:

Op geen enkele manier. Wij maken de schuld juist elke dag groter1.

1 Job 4:18, 19; 9:2, 3; 15:16; Ps. 130:3; Mat. 6:12; 16:26; 18:25.
Vraag 14:

Kan een schepsel dat alleen maar schepsel is, voor ons betalen?

Antwoord:

Nee, want ten eerste wil God geen ander schepsel straffen voor de schuld die de mens gemaakt heeft1; ten tweede kan ook geen schepsel dat alleen maar schepsel is, de last van de eeuwige toorn van God tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen2.

1 Gen. 3:17; Ezech. 18:4. 2 Ps 130:3; Nah. 1:6.
Vraag 15:

Wat voor een Middelaar en Verlosser moeten wij dan zoeken?

Antwoord:

Een Middelaar die een echt1 en rechtvaardig mens2 is en toch sterker dan alle schepselen, dat wil zeggen: die tegelijk echt God is3.

1 1Kor. 15:21. 2 Heb. 7:26. 3 Jes. 7:14; 9:5; Jer. 23:6; Luc. 11:22; Rom. 8:3, 4.


 
Zondag 6

Vraag 16:

Waarom moet de Middelaar een echt en rechtvaardig mens zijn?

Antwoord:

Omdat Gods gerechtigheid eist, dat de menselijke natuur, die gezondigd heeft, ook voor de zonde betaalt1, en omdat een mens die zelf zondaar is, niet voor anderen kan betalen2.

1 Jes. 53:3-5; Jer. 33:15; Ezech. 18:4, 20; Rom. 5:12-15; 1Kor. 15:21; Heb. 2:14-16. 2 Ps. 49:8; Heb. 7:26, 27; 1Pet. 3:18.
Vraag 17:

Waarom moet de Middelaar tegelijk echt God zijn?

Antwoord:

Om uit kracht van zijn godheid1 de last van Gods toorn2 aan zijn menselijke natuur te kunnen dragen3, en ons de gerechtigheid en het leven te kunnen verwerven en teruggeven4.

1 Jes. 9:5; Rom. 1:4; Heb. 1:3. 2 Deut. 4:24; Nah. 1:6; Ps. 130:3. 3 Jes. 53:4, 11. 4 Jes. 53:5, 11; Jes. 54:8; Joh. 3:16; Hand. 20:28; 1Pet. 3:18.
Vraag 18:

Wie is dan deze Middelaar, die echt God1 en tegelijk een echt2 en rechtvaardig mens is3?

Antwoord:

Onze Here Jezus Christus4, die ons door God geschonken is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing5.

1 Jer. 23:6; Mal. 3:1; Rom. 8:3; Gal. 4:4; 1Joh. 5:20. 2 Luc. 1:42; 2:6, 7; Rom. 1:3; Fil. 2:7; Heb. 2:14, 17; 4:15. 3 Jes. 53:9, 11; Jer. 23:5; Luc. 1:35; Joh. 8:46; Heb. 4:15; 7:26; 1Pet. 1:19; 2:22; 3:18. 4 Mat. 1:23; Luc. 2:11; Joh. 1:1, 14; 14:6; Rom. 9:5; 1Tim. 2:5; 3:16; Heb. 2:9. 5 1Kor. 1:30; 2Kor. 5:21.
Vraag 19:

Waaruit weet u dat?

Antwoord:

Uit het heilig evangelie. God heeft dat eerst zelf in het paradijs geopenbaard1. Daarna heeft Hij het door de heilige aartsvaders2 en profeten laten verkondigen3.
Ook heeft Hij dat evangelie van tevoren laten afbeelden door de offers en andere schaduwachtige gebruiken die Hij in de wet had voorgeschreven4.
Tenslotte heeft Hij het door zijn eniggeboren Zoon vervuld5.

1 Gen. 3:15. 2 Gen. 12:3; 22:18; 26:4; 49:10. 3 Jes. 42:1-4; 43:25; 49:6; 53; Jer. 23:5, 6; 31:32, 33; Micha 7:18-20; Joh. 5:46; Hand. 3:22-24; 10:43; Rom. 1:2; Heb. 1:1. 4 Kol. 2:17; Heb. 10:1, 7. 5 Rom. 10:4; Gal. 3:24; 4:4, 5; Kol. 2:17.



Zondag 7

Vraag 20:

Krijgen dan alle mensen door Christus het heil terug, zoals zij in Adam veroordeeld zijn?

Antwoord:

Nee1, maar alleen zij die door waar geloof bij Hem worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen2.

1 Mat. 7:14; 22:14. 2 Ps. 2:12; Mar. 16:16; Joh. 1:12, 13; 3:16, 18, 36; Rom. 3:22; 11:20; Heb. 4:2, 3; 5:9; 10:39; 11:6.
Vraag 21:

Wat is waar geloof?

Antwoord:

Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft1.
Tegelijk is het een vast vertrouwen2, dat de Heilige Geest3 door het evangelie in mijn hart werkt4, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil5 door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus6.

1 Rom. 4:20, 21; Heb. 11:1, 3; Jak. 1:6. 2 Ps. 9:11; Rom. 4:16-21; 5:1; 10:10; Ef. 3:12; Heb. 4:16. 3 Mat. 16:17; Joh. 3:5; 6:29; Hand. 16:14; 2Kor. 4:13; Ef. 2:8; Fil. 1:29. 4 Mar. 16:15; Hand. 10:44; 16:14; Rom. 1:16; 10:17; 1Kor. 1:21. 5 Hab. 2:4; Hand. 10:43; Rom. 1:17; Gal. 3:11; Heb. 10:10, 38. 6 Luc. 1:77, 78; Joh. 20:31; Hand. 10:43; Rom. 3:24; 5:19; Gal. 2:16.
Vraag 22:

Wat moet een christen geloven?

Antwoord:

Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt.
Daarvan geven de artikelen van ons algemeen en ontwijfelbaar christelijk geloof een samenvatting1.

1 Mat. 28:19; Mar. 1:15; Joh. 20:31.

Apostolische Geloofsbelijdenis

Vraag 23:

Hoe luiden die artikelen?

Antwoord:
I 1 Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde.
II 2 En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Here;
3 die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
4 die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven, en begraven, neergedaald in de hel;
5 op de derde dag opgestaan uit de doden;
6 opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God de Almachtige Vader;
7 vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden.
III 8 Ik geloof in de Heilige Geest.
9 Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen;
10 vergeving van de zonden;
11 opstanding van het vlees;
12 en een eeuwig leven.

Zondag 8

 
Vraag 24:

Hoe worden deze artikelen ingedeeld?

Antwoord:

In drie delen.
Het eerste gaat over God de Vader en onze schepping;
het tweede over God de Zoon en onze verlossing;
het derde over God de Heilige Geest en onze heiliging.

Vraag 25:

Waarom noemt u drie Personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, terwijl er toch maar één God is1?

Antwoord:

Omdat God Zich zo in zijn Woord geopenbaard heeft: deze drie onderscheiden Personen zijn de ene, ware en eeuwige God2.

1 Deut. 6:4; Jes. 44:6; 45:5; 1Kor. 8:4, 6; Ef. 4:5, 6. 2 Gen. 1:2, 3; Jes. 61:1; Mat. 3:16, 17; 28:19; Luc. 1:35; 4:18; Joh. 14:26; 15:26; Hand. 2:32, 33; 2Kor. 13:13; Gal. 4:6; Ef. 2:18; Tit. 3:4-6.

God de Vader en onze schepping


Zondag 9

 
Vraag 26:

Wat gelooft u, wanneer u zegt: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde?

Antwoord:

Dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft1 en ze nog door zijn eeuwige raad en voorzienigheid in stand houdt en regeert2, om zijn Zoon Jezus Christus mijn God en mijn Vader is3.
Daarom vertrouw ik zo op Hem, dat ik er niet aan twijfel, of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb4, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede5. Want Hij kan dit doen als een almachtig God6 en wil het ook doen als een trouw Vader7.

1 Gen. 1:1; 2:3; Ex. 20:11; Job 33:4; 38:4-11; Ps. 33:6; Jes. 40:26; Hand. 4:24; 14:15. 2 Ps. 104:2-5, 27-30; Ps. 115:3; Mat. 10:29, 30; Rom. 11:36; Ef. 1:11. 3 Joh. 1:12; Rom 8:15; Gal. 4:5-7; Ef. 1:5. 4 Ps. 55:23; Mat. 6:25, 26; Luc. 12:22-24. 5 Rom. 8:28. 6 Rom. 8:37-39; 10:12; Opb. 1:8. 7 Mat. 6:32, 33; 7:9-11.

Zondag 10

Vraag 27:

Wat verstaat u onder Gods voorzienigheid?

Antwoord:

De almachtige en tegenwoordige kracht van God1, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zó regeert2, dat loof en gras, regen en droogte3, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen4, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen5.

1 Ps. 94:9, 10; Jes. 29:15, 16; Jer. 23:23, 24; Ezech. 8:12; Mat. 17:27; Hand. 17:25-28. 2 Hebr. 1:3. 3 Jer. 5:24; Hand. 14:17. 4 Spr. 22:2; Joh. 9:3. 5 Spr. 16:33; Mat. 10:29.
Vraag 28:

Waarom is het voor ons belangrijk te weten dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid in stand houdt?

Antwoord:

Om in alle tegenspoed geduldig1, in voorspoed dankbaar te zijn2 en voor de toekomst dit vaste vertrouwen te hebben in onze trouwe God en Vader, dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal3. Want alle schepselen zijn zo in zijn hand, dat zij zich tegen zijn wil niet roeren of bewegen kunnen4.

1 Job 1:21, 22; Ps. 39:10; Rom. 5:3, 4; Jak. 1:3. 2 Deut. 8:10; 1Tes. 5:18. 3 Ps. 55:23; Rom. 5:4, 5; 8:38, 39. 4 Job 1:12; 2:6; Spr. 21:1; Hand. 17:25-28.

God de Zoon en onze verlossing


Zondag 11

Vraag 29:

Waarom wordt de Zoon van God Jezus, dat is Verlosser, genoemd?

Antwoord:

Omdat Hij ons verlost van al onze zonden1, en omdat er bij niemand anders enig behoud te zoeken en te vinden is2.

1 Mat. 1:21; Hebr 7:25. 2 Jes. 43:11; Joh. 15:4, 5; Hand. 4:11, 12; 1Tim. 2:5; 1Joh. 5:11, 12.
Vraag 30:

Geloven zij dan wel in de enige Verlosser Jezus, die hun behoud en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf of ergens anders zoeken?

Antwoord:

Nee, maar zij verloochenen met de daad de enige Verlosser Jezus, ook al roemen zij met de mond in Hem1.
Want één van beide: òf Jezus is geen volkomen Verlosser, òf zij die deze Verlosser met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben wat voor hun behoud nodig is2.

1 1Kor. 1:13, 30, 31; Gal. 5:4. 2 Jes. 9:6; Joh. 1:16; Kol. 1:19, 20; 2:10; Heb. 12:2; 1Joh. 1:7.

Zondag 12

Vraag 31:

Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde, genoemd?

Antwoord:

Omdat Hij door God de Vader is aangesteld en met de Heilige Geest gezalfd1 tot onze hoogste Profeet en Leraar, tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning.
Als Profeet en Leraar heeft Hij ons de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen geopenbaard2.
Als Hogepriester heeft Hij ons met het enige offer van zijn lichaam verlost3 en blijft Hij met zijn voorbede steeds bij de Vader voor ons pleiten4.
Als Koning regeert Hij ons met zijn Woord en Geest, en beschermt en bewaart Hij ons bij de verworven verlossing5.

1 Ps. 45:8; Jes. 61:1; Luc. 4:18; Hand. 10:38; Heb. 1:9. 2 Deut. 18:15; Jes. 55:4; Mat. 11:27; Joh. 1:18; 15:15; Hand. 3:22. 3 Ps. 110:4; Heb. 7:21; 9:12, 14, 28; 10:12, 14. 4 Rom. 8:34; Heb. 7:25; 9:24; 1Joh. 2:1. 5 Ps. 2:6; Zach. 9:9; Mat. 21:5; 28:18; Luc. 1:33; Joh. 10:28; Opb. 12:10, 11.
Vraag 32:

Maar waarom wordt u een christen genoemd1?

Antwoord:

Omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en zo deel heb aan zijn zalving2, om:
als profeet zijn naam te belijden3,
als priester mijzelf als een levend dankoffer aan Hem te offeren4,
en als koning in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden5 en na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren6.

1 Hand. 11:26. 2 Jes. 59:21; Joël 2:28; Hand. 2:17; 1Kor. 6:15; 1Joh. 2:27. 3 Mat. 10:32, 33; Rom. 10:10. 4 Ex. 19:6; Rom. 12:1; 1Petr. 2:5; Opb. 1:6; 5:8, 10. 5 Rom. 6:12, 13; Gal. 5:16, 17; Ef. 6:11; 1Tim. 1:18, 19; 1Pet. 2:9, 11. 6 2Tim. 2:12; Opb. 22:5.

Zondag 13

Vraag 33:

Waarom wordt Christus de eniggeboren Zoon van God genoemd? Wij zijn toch ook Gods kinderen?

Antwoord:

Omdat alleen Hij de eeuwige en natuurlijke Zoon van God is1. Maar wij zijn om Christus' wil uit genade tot Gods kinderen aangenomen2.

1 Joh. 1:14, 18; 3:16; Rom. 8:32; Heb. 1:1, 2; 1Joh. 4:9. 2 Joh. 1:12; Rom. 8:15-17; Gal. 4:6; Ef. 1:5, 6.
Vraag 34:

Waarom noemt u Hem onze Here?

Antwoord:

Omdat Hij ons met lichaam en ziel, niet met goud of zilver, maar met zijn kostbaar bloed van al onze zonden vrijgekocht en uit alle macht van de duivel verlost heeft. Zo heeft Hij ons tot zijn eigendom gemaakt1.

1 Joh. 20:28; 1Kor. 6:20; 7:23; Ef. 1:7; 1Tim. 2:6; 1Pet. 1:18, 19; 2:9.

Zondag 14

Vraag 35:

Wat belijdt u met de woorden: die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria?

Antwoord:

De eeuwige Zoon van God, die echt en eeuwig God is en blijft1, heeft door de werking van de Heilige Geest echte menselijke natuur aangenomen2 uit het vlees en bloed van de maagd Maria3, om het ware zaad van David te zijn4, zijn broeders in alles gelijk, maar zonder zonde5.

1 Mat. 1:23; 3:17; 16:16; 17:5; Mar. 1:11; Joh. 1:1; 17:3, 5; 20:28; Rom. 1:3, 4; 9:5; Fil. 2:6; Kol. 1:15, 16; Tit. 2:13; Heb. 1:3; 1Joh. 5:20. 2 Mat. 1:18, 20; Luc. 1:35. 3 Luc. 1:31, 42, 43; Joh. 1:14; Gal. 4:4. 4 2Sam. 7:12; Ps. 132:11; Mat. 1:1; Luc. 1:32; Hand. 2:30, 31; Rom. 1:3. 5 Fil. 2:7; Heb. 2:14, 17; 4:15; 7:26, 27.
Vraag 36:

Wat is voor u de waarde van de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?

Antwoord:

Zo is Hij onze Middelaar1, die met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt2.

1 Heb. 2:16-18; 7:26, 27. 2 Ps. 32:1; Jes. 53:11; Rom. 8:3, 4; 1Kor. 1:30, 31; Gal. 4:4, 5; 1Pet. 1:18, 19; 3:18.

Zondag 15

 
Vraag 37:

Wat belijdt u met het woord: geleden?

Antwoord:

Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen1.
Hij deed dit om door zijn lijden, als het enige zoenoffer2, ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel te verlossen3 en Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven voor ons te verwerven4.

1 Jes. 53:4, 12; 1Tim. 2:6; 1Pet. 2:24; 3:18. 2 Jes. 53:10; Rom. 3:25; 1Kor. 5:7; Ef. 5:2; Heb. 9:28; 10:14; 1Joh. 2:2; 4:10. 3 Gal. 3:13; Kol. 1:13; Heb. 9:12; 1Pet. 1:18, 19. 4 Joh. 3:16; 6:51; 2Kor. 5:21; Heb. 9:15; 10:19.
Vraag 38:

Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?

Antwoord:

Christus is onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld1, om ons te bevrijden van het strenge oordeel van God, dat over ons zou komen2.

1 Mat. 27:24; Luc. 23:13-15; Joh. 18:38; 19:4, 11. 2 Jes. 53:4, 5; 2Kor. 5:21; Gal. 3:13.
Vraag 39:

Heeft het een bijzondere betekenis dat Christus is gekruisigd en niet op een andere wijze is gestorven?

Antwoord:

Ja, want daardoor ben ik er zeker van, dat Hij de vloek die op mij lag, op Zich geladen heeft1, omdat de kruisdood door God vervloekt was2.

1 Gal. 3:13. 2 Deut. 21:23.

Zondag 16

 
Vraag 40:

Waarom moest Christus Zich tot in de dood vernederen?

Antwoord:

Omdat vanwege Gods gerechtigheid en waarheid1 niet anders voor onze zonden betaald kon worden dan door de dood van Gods Zoon2.

1 Gen. 2:17. 2 Rom. 8:3, 4; Fil. 2:8; Heb. 2:9, 14, 15.
Vraag 41:

Waarom is Christus begraven?

Antwoord:

Om daardoor aan te tonen dat Hij echt gestorven was1.

1 Mat. 27:59, 60; Luc. 23:53; Joh. 19:40-42; Hand. 13:29; 1Kor. 15:3, 4.
Vraag 42:

Nu Christus voor ons gestorven is, waarom moeten wij dan nog sterven?

Antwoord:

Onze dood is geen betaling voor onze zonden1, maar alleen een afsterven van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven2.

1 Mar. 8:37. 2 Joh. 5:24; Rom. 7:24, 25; Fil. 1:23.
Vraag 43:

Wat is voor ons nog meer de waarde van het offer en de dood van Christus aan het kruis?

Antwoord:

Door zijn kracht wordt onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven1, opdat de slechte begeerten van het vlees in ons niet meer regeren2, maar opdat wij onszelf aan Christus offeren als een offer van dankbaarheid3.

1 Rom 6:6. 2 Rom 6:8, 11, 12. 3 Rom. 12:1.
Vraag 44:

Waarom volgt er: neergedaald in de hel?

Antwoord:

Daardoor mag ik er in mijn felste aanvechtingen zeker van zijn en er rijke troost uit putten, dat mijn Here Jezus Christus mij van de angst en pijn van de hel verlost heeft1.
Hij heeft deze verlossing bewerkt door zijn onuitsprekelijke angsten, smarten, verschrikking en helse kwelling, waarin Hij gedurende heel zijn lijden, maar vooral aan het kruis, verzonken was2.

1 Jes. 53:5. 2 Mat. 26:38; 27:46; Heb. 5:7.

Zondag 17

Vraag 45:

Wat is voor ons de waarde van de opstanding van Christus?

Antwoord:

Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood overwonnen, om ons te doen delen in de gerechtigheid, die Hij door zijn dood voor ons had verworven1.
Ten tweede worden ook wij door zijn kracht nu al opgewekt tot een nieuw leven2.
Ten derde is de opstanding van Christus voor ons een onderpand van onze opstanding in heerlijkheid3.

1 Rom. 4:25; 1Kor. 15:16-18; 1Pet. 1:3. 2 Rom. 6:4; Kol. 3:1-3; Ef. 2:4-6. 3 Rom. 8:11; 1Kor. 15:20-22.

Zondag 18

Vraag 46:

Wat belijdt u met de woorden: opgevaren naar de hemel?

Antwoord:

Dat Christus voor de ogen van zijn discipelen van de aarde naar de hemel is opgenomen1 en daar ons ten goede is2, totdat Hij terugkomt om te oordelen de levenden en de doden3.

1 Mar. 16:19; Luc. 24:51; Hand. 1:9. 2 Rom. 8:34; Ef. 4:10; Kol. 3:1; Heb. 4:14; 7:24, 25; 9:24. 3 Mat. 24:30; Hand. 1:11.
Vraag 47:

Is Christus dan niet bij ons tot aan de voleinding van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft1?

Antwoord:

Christus is echt mens en echt God. Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde2, maar naar zijn godheid, majesteit, genade en Geest verlaat Hij ons nooit meer3.

1 Mat. 28:20. 2 Mat. 26:11; Joh. 16:28; Joh. 17:11; Hand. 3:21; Heb. 8:4. 3 Mat. 28:20; Joh. 14:16-18; 16:13; Ef. 4:8.
Vraag 48:

Maar als de menselijke natuur niet overal is waar de godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkaar gescheiden?

Antwoord:

Beslist niet. Want zijn godheid kan door niets ingesloten worden en is overal tegenwoordig1. Daaruit volgt dat deze godheid wel buiten haar aangenomen mensheid is2, maar toch ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.

1 Jes. 66:1; Jer. 23:23, 24; Hand. 7:49; 17:27, 28. 2 Mat. 28:6; Joh. 3:13; 11:15; Kol. 2:9.
Vraag 49:

Wat is voor ons de waarde van de hemelvaart van Christus?

Antwoord:

Ten eerste is Hij in de hemel voor het aangezicht van zijn Vader om voor ons te pleiten1.
Ten tweede hebben wij in Hem ons vlees in de hemel tot een onderpand, dat Hij als het Hoofd ons, zijn leden, ook tot Zich nemen zal2.
Ten derde zendt Hij ons zijn Geest als tegenpand3; door zijn kracht zoeken wij wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God, en niet wat op de aarde is4.

1 Rom. 8:34; 1Joh. 2:1. 2 Joh. 14:2, 3; Joh. 17:24; Ef. 2:6. 3 Joh. 14:16; 16:7; Hand. 2:33; 2Kor. 1:22; 5:5. 4 Fil. 3:20; Kol. 3:1.

Zondag 19

Vraag 50:

Waarom wordt eraan toegevoegd: en zit aan de rechterhand van God?

Antwoord:

Christus is opgevaren naar de hemel om Zich daar te bewijzen als het Hoofd van zijn christelijke kerk1, door wie de Vader alle dingen regeert2.

1 Ef. 1:20-23; Kol. 1:18. 2 Mat. 28:18; Joh. 5:22.
Vraag 51:

Wat is voor ons de waarde van deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?

Antwoord:

Ten eerste giet Hij door zijn Heilige Geest in ons, zijn leden, de hemelse gaven uit1.
Ten tweede beschermt en bewaart Hij ons met zijn macht tegen alle vijanden2.

1 Hand. 2:33; Ef. 4:8, 10-12. 2 Ps. 2:9; 110:1, 2; Joh. 10:28; Ef. 4:8; Opb. 12:5.
Vraag 52:

Welke troost schenkt u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?

Antwoord:

Dat ik in alle droefheid en vervolging met opgeheven hoofd juist Hem als Rechter uit de hemel verwacht, die Zich eerst om mij voor Gods rechterstoel gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft1.
Hij zal dan al zijn en mijn vijanden aan de eeuwige ondergang overgeven2, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich nemen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid3.

1 Luc. 21:28; Rom. 8:23, 24; Fil. 3:20; 1Tes. 4:16; Tit. 2:13. 2 Mat. 25:41-43; 2Tes. 1:6, 8, 9. 3 Mat. 25:34-36; 2Tes. 1:7, 10.

God de Heilige Geest en onze heiliging


Zondag 20

Vraag 53:

Wat gelooft u van de Heilige Geest?

Antwoord:

Ten eerste dat Hij samen met de Vader en de Zoon echt en eeuwig God is1.
Ten tweede dat Hij ook mij gegeven is2, om mij door waar geloof aan Christus en al zijn weldaden deel te geven3, mij te troosten4 en eeuwig bij mij te blijven5.

1 Gen. 1:2; Hand. 5:3, 4; 1Kor. 2:10; 3:16; 6:19. 2 Mat. 28:19; 2Kor. 1:21, 22; Gal. 3:14; 4:6; Ef. 1:13. 3 Joh. 16:14; 1Kor. 2:12; 1Pet. 1:2. 4 Joh. 15:26; Hand. 9:31. 5 Joh. 14:16, 17; 1Pet. 4:14.

Zondag 21

Vraag 54:

Wat gelooft u van de heilige, algemene, christelijke kerk?

Antwoord:

Dat de Zoon van God1 uit het hele menselijke geslacht2 Zich een gemeente3, die tot het eeuwige leven uitverkoren is4, van het begin van de wereld tot aan het einde5 vergadert, beschermt en onderhoudt6. Hij doet dit door zijn Geest en Woord7 in eenheid van het ware geloof8.
En ik geloof dat ik van deze gemeente een levend lid ben9 en eeuwig zal blijven10.

1 Joh. 10:11; Ef. 4:11-13; 5:25, 26. 2 Gen. 26:4; Jes. 49:6; Rom. 10:12, 13; Opb. 5:9. 3 Ps. 111:1; Hand. 20:28; Heb. 12:22, 23. 4 Rom. 8:29, 30; Ef. 1:10-14; 1Pet. 2:9. 5 Ps. 71:17, 18; Jes. 59:21; 1Kor. 11:26. 6 Ps. 129:4, 5; Mat. 16:18; Joh. 10:16, 28. 7 Jes. 59:21; Rom. 1:16; 10:14-17; Ef. 5:26. 8 Joh. 17:21; Hand. 2:42; Ef. 4:3-6; 1Tim. 3:15. 9 Rom. 8:10; 1Joh. 3:14, 19-21. 10 Ps. 23:6; Joh. 10:28; Rom. 8:35-39; 1Kor. 1:8,9; 1Pet. 1:5; 1Joh. 2:19.
Vraag 55:

Wat verstaat u onder de gemeenschap der heiligen?

Antwoord:

Ten eerste dat de gelovigen allen samen en ieder persoonlijk als leden gemeenschap hebben met de Here Christus en deel hebben aan al zijn schatten en gaven1.
Ten tweede dat ieder verplicht is zijn gaven tot nut en heil van de andere leden gewillig en met vreugde te gebruiken2.

1 Rom. 8:32; 1Kor. 6:17; 12:12, 13; 1Joh. 1:3. 2 1Kor. 12:21; 13:1-7; Fil. 2:2-5.
Vraag 56:

Wat belijdt u met de woorden: vergeving van de zonden?

Antwoord:

Omdat Christus voldaan heeft, wil God nooit meer denken aan al mijn zonden1, ook niet aan mijn zondige aard2, waartegen ik mijn leven lang moet strijden. Maar God schenkt mij uit genade de gerechtigheid van Christus3, zodat ik nooit meer door Hem veroordeeld word4.

1 Ps. 103:3, 10, 12; Jer. 31:34; Micha 7:19; 2Kor. 5:19. 2 Rom. 7:23-25. 3 2Kor. 5:21; 1Joh. 1:7; 2:1, 2. 4 Joh. 3:18; 5:24.

Zondag 22

Vraag 57:

Welke troost geeft u de opstanding van het vlees?

Antwoord:

Dat niet alleen mijn ziel na dit leven terstond tot haar Hoofd Christus opgenomen zal worden1, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt, weer met mijn ziel verenigd en aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijkvormig zal worden2.

1 Luc. 16:22; 20:37, 38; 23:43; Fil. 1:21, 23; Opb. 14:13. 2 Job 19:25-27; 1Kor. 15:53, 54; Fil. 3:21; 1Joh. 3:2.
Vraag 58:

Welke troost put u uit het artikel over het eeuwige leven?

Antwoord:

Evenals ik nu al het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voel1, zal ik ook na dit leven volkomen heerlijkheid bezitten, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en die in geen mensenhart is opgekomen, en wel om God daarin eeuwig te prijzen2.

1 Joh. 17:3; 2Kor. 5:2, 3. 2 Joh. 17:24; 1Kor. 2:9.

De rechtvaardiging


Zondag 23

Vraag 59:

Wat hebt u er nu aan, dat u dit alles gelooft?

Antwoord:

Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven1.

1 Hab. 2:4; Joh. 3:36; Rom. 1:17.
Vraag 60:

Hoe bent u rechtvaardig voor God?

Antwoord:

Alleen door waar geloof in Jezus Christus1.
Al klaagt mijn geweten mij aan, dat ik tegen alle geboden van God zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb en dat ik nog altijd uit ben op elk kwaad2, toch schenkt God mij, zonder enige verdienste van mijn kant, alleen uit genade3, de volkomen voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus4. Hij rekent mij die toe5, alsof ik nooit zonde had gehad of gedaan, ja, alsof ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht had die Christus voor mij volbracht heeft6.
Aan deze weldaad heb ik alleen deel, als ik die met een gelovig hart aanneem7.

1 Rom. 3:21-26; 5:1, 2; Gal. 2:16; Ef. 2:8, 9; Fil. 3:9. 2 Rom. 3:9; 7:23. 3 Deut. 9:6; Ezech. 36:22; Rom. 3:24; 7:23-25; Ef. 2:8; Tit. 3:5. 4 1Joh. 2:1, 2. 5 Rom. 4:4-8; 2Kor. 5:19. 6 2Kor. 5:21. 7 Joh. 3:18; Rom 3:22.
Vraag 61:

Waarom zegt u dat u alleen door het geloof rechtvaardig bent?

Antwoord:

Niet omdat ik door de waarde van mijn geloof voor God aangenaam ben. Maar alleen de voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus is mijn gerechtigheid voor God1. En alleen door het geloof kan ik die aannemen en tot mijn eigendom maken2.

1 1Kor. 1:30; 2:2. 2 1Joh. 5:10.

Zondag 24

Vraag 62:

Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn?

Antwoord:

Omdat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, geheel volmaakt en in alle opzichten met Gods wet in overeenstemming moet zijn1, terwijl zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn2.

1 Deut. 27:26; Gal. 3:10. 2 Jes. 64:6.
Vraag 63:

Maar hebben onze goede werken dan geen verdienste? God wil ze toch in dit en in het toekomstige leven belonen?

Antwoord:

Deze beloning wordt niet uit verdienste, maar uit genade gegeven1.

1 Luc. 17:10.
Vraag 64:

Maar maakt deze leer de mensen niet zorgeloos en goddeloos?

Antwoord:

Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort1.

1 Mat. 7:18; Joh. 15:5.

Woord en sacramenten


Zondag 25

Vraag 65:

Nu alleen het geloof ons aan Christus en aan al zijn weldaden deel geeft, waar komt dit geloof vandaan?

Antwoord:

Van de Heilige Geest1, die het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie2 en het versterkt door het gebruik van de sacramenten3.

1 Joh. 3:5; 1Kor. 2:12; 12:3; Ef. 1:17, 18; 2:8; Fil. 1:29. 2 Hand. 16:14; Rom. 10:17; 1Pet. 1:23. 3 Mat. 28:19.
Vraag 66:

Wat zijn sacramenten?

Antwoord:

Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels, die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen.
Deze belofte houdt in dat Hij ons om het enige offer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving van zonden en eeuwig leven uit genade schenkt1.

1 Gen. 17:11; Lev. 6:25; Deut. 30:6; Jes. 6:6, 7; 54:9; Ezech. 20:12; Rom. 4:11; Heb. 9:7, 9; 9:24.
Vraag 67:

Hebben het woord en de sacramenten beide als doel ons geloof te wijzen op het offer van Jezus Christus aan het kruis, als de enige grond van ons heil1?

Antwoord:

Ja, want de Heilige Geest leert ons in het evangelie en bevestigt ons door de sacramenten, dat ons volkomen heil rust in het enige offer van Christus, dat voor ons aan het kruis gebracht is.

1 Rom. 6:3; Gal. 3:27.
Vraag 68:

Hoeveel sacramenten heeft Christus in het nieuwe verbond ingesteld?

Antwoord:

Twee, namelijk de heilige doop en het heilig avondmaal.

De heilige Doop


Zondag 26

Vraag 69:

Hoe wordt u in de heilige doop onderwezen en ervan verzekerd, dat het enige offer van Christus aan het kruis u ten goede komt?

Antwoord:

Christus heeft het waterbad van de doop ingesteld1 en daarbij beloofd, dat ik met zijn bloed en Geest van de onreinheid van mijn ziel, dat is van al mijn zonden, gewassen ben2. Dit is even zeker als ik gewassen ben met het water, dat de onreinheid van het lichaam wegneemt.

1 Mat. 28:19. 2 Mat. 3:11; Mar. 1:4; 16:16; Luc. 3:3; Joh. 1:33; Hand. 2:38; Rom. 6:3, 4; 1Pet. 3:21.
Vraag 70:

Wat betekent dat: met het bloed en de Geest van Christus gewassen te zijn?

Antwoord:

Dat wij van God vergeving van de zonden hebben uit genade, om het bloed van Christus, dat Hij in zijn offer aan het kruis voor ons vergoten heeft1.
Verder ook, dat wij door de Heilige Geest vernieuwd en tot leden van Christus geheiligd zijn, zodat wij hoe langer hoe meer van de zonde afsterven en godvrezend en onberispelijk leven2.

1 Ezech. 36:25; Zach. 13:1; Heb. 12:24; 1Pet. 1:2; Opb. 1:5; 7:14. 2 Ezech. 36:26, 27; Joh. 1:33; 3:5; Rom. 6:4; 1Kor. 6:11; 12:13; Kol. 2:11, 12.
Vraag 71:

Waar heeft Christus ons beloofd dat Hij ons even zeker met zijn bloed en Geest wassen wil, als wij met het doopwater gewassen worden?

Antwoord:

In de instelling van de doop, die zo luidt: Gaat dan heen, maakt alle volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Matteüs 28:19.
En:Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden, Marcus 16:16.
Deze belofte wordt herhaald waar de Schrift de doop het bad van de wedergeboorte en de afwassing van de zonden noemt, Titus 3:5; Handelingen 22:16.


Zondag 27

Vraag 72:

Is dat waterbad dan de afwassing van de zonden zelf?

Antwoord:

Nee1, want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigen ons van alle zonden2.

1 Mat. 3:11; Ef. 5:26; 1Pet. 3:21. 2 1Kor. 6:11; 1Joh. 1:7.
Vraag 73:

Waarom noemt de Heilige Geest de doop dan het bad van de wedergeboorte en de afwassing van de zonden?

Antwoord:

God zegt dat niet zonder dringende reden.