
Kerkorde
Akkoord voor kerkelijk samenleven van
de Nederlands Gereformeerde Kerken
Het Akkoord begint met een Verklaring, die bekend staat als de
Preambule. Daarna volgen de artikelen
van het Akkoord.
Verklaring
De kerken, door haar afgevaardigden bijeen in landelijke vergadering,
betuigen haar onderlinge verbondenheid door het afleggen van de volgende
verklaring:
1. Verklaring
Na al wat de gemeenten van de Here in de loop van de jaren en eeuwen
in dit land hebben ondervonden door vervolging, overheids-bemoeiing,
misleiding van de geesten, reglementen-heerschappij en synodehiërarchie
is het nu eens te meer haar hartelijke begeerte om onder de genadige
bescherming van haar Heer en Heiland Jezus Christus, temidden van de
verwarring van de tijd, in goede vrede en gehoorzaamheid aan de Heilige
Schrift, met elkaar te leven onder de enige heerschappij en leiding van
het Hoofd van de kerk, onze Zaligmaker.
Zoals sedert de dagen van de Reformatie in de 16e eeuw de
eenheid van de kerken allereerst en ten diepste bestond in hetzelfde
geloof, in de gehoorzaamheid aan het Woord van God en in de
gemeenschappelijke belijdenis, zo willen de Gereformeerde Kerken in
Nederland, die in deze vergadering bijeen zijn, elkaar als opnieuw
beloven - zich gevend eerst aan de Here en ook aan elkaar - zich aan het
Woord van God en aan de belijdenis van de kerk van alle eeuwen te
houden. Zij verklaren in dat belijden van de Waarheid van de Heilige
Schrift, zoals in de drie Formulieren van Enigheid is uitgedrukt, haar
eenheid en de grond voor haar samengaan te vinden.
Zij beloven ook, elkaar bij te staan in de strijd voor de Naam en de eer
van de Here, zich voegend naar het Schriftuurlijk onderwijs voor een
geordend kerkelijk samenleven, opdat zij ook in de inrichting van het
kerkelijk leven de wegen van het verbond van de Here mogen houden, niet
in tirannieke eenheidsdwang, maar in de vrijheid van Christus, in de
eenheid van de Geest van God, die samenbindt in gehoorzaamheid aan Zijn
gebod, in liefde tot God en de naaste.
Zij begeren zo ook in deze dingen als één in Christus naar buiten op
te treden - met de bede dat alle in belijdenis en leven waarlijk
gereformeerde kerken en allen die de Here vrezen en Zijn getuigenissen
kennen (Ps.119:79), zich met hen voegen tot één gemeenschap, één
van zin en één van gevoelen (1Cor.1:10), door de Geest van onze God.
2. Uitspraak
De kerken spreken uit, dat het al of niet aanvaarden van het (een)
kerkelijk akkoord geen oorzaak van breuk of verwijdering mag zijn tussen
gemeenten die één zijn in geloof en belijden.
3. Verzoek
De kerken verzoeken alle gemeenten die bezwaren hebben tegen
aanvaarding van het (een) kerkelijk akkoord zich zoveel mogelijk te
richten naar hetgeen met de meeste stemmen goedgevonden wordt, en
inzonderheid haar medewerking te verlenen aan en haar stem te doen horen
op de gemeenschappelijke vergaderingen, ook al kan voor hetgeen daar
wordt besloten geen medeverantwoordelijkheid worden gedragen.
(Deze preambule is vastgesteld op een landelijke vergadering van
de kerken te Utrecht in 1974)

Akkoord voor kerkelijk samenleven van de
Nederlands Gereformeerde Kerken, aanvaard door haar landelijke
vergadering Breukelen 1981/82, in haar samenkomst te Utrecht op 25
september 1982,
laatst gewijzigd door haar landelijke vergadering Lelystad 2004/05, in
haar samenkomst te Lelystad op 8 jan. 2005
Artikel 1 Doel en inhoud van het akkoord
In de gemeenten van Christus behoort alles in goede orde te gebeuren.
Daartoe is overeengekomen een regeling met betrekking tot:
I. De ambten
II. Het opzicht over de leer en
de eredienst
III. De tucht
IV. De kerkelijke
vergaderingen
I. De ambten
Artikel 2 Drie ambten, geen rangorde
Er zijn drie ambten te onderscheiden: het ambt van predikant of dienaar
van het Woord, van ouderling en van diaken. Tussen deze ambten bestaat
geen onderscheid in rangorde, alleen in dienstbetoon.
Artikel 3 Noodzaak van wettige roeping; bevestiging van een
ambtsdrager
Niemand vervult een ambt zonder wettig geroepen en bevestigd te zijn.
De roeping geschiedt door de gemeente, onder leiding van de kerkenraad.
De bevestiging vindt in een openbare samenkomst van de gemeente plaats,
met gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier.
Artikel 4 Roeping tot het ambt van ouderling of diaken
De roeping tot het ambt van ouderling of diaken vindt in de regel op de
volgende wijze plaats:
De kerkenraad stelt de gemeente in de gelegenheid de aandacht te
vestigen op belijdende leden die zij acht te voldoen aan de in Gods
Woord voor ambtsdragers gestelde eisen. Daarna stelt hij de gemeente zo
mogelijk het dubbele van het aantal te verkiezen ambtsdragers voor, om
haar daaruit te laten kiezen.
De verkiezing, waartoe de belijdende leden van de gemeente gerechtigd
zijn, geschiedt na gebed om de leiding van de Heilige Geest.
De naam van degene die tot het ambt geroepen is, wordt op twee zondagen
afgekondigd. Indien geen gegronde bezwaren worden ingebracht, vindt de
bevestiging plaats.
Artikel 5 Voorbereiding op het ambt van predikant
5.1 Opleiding
Wie verlangt tot het ambt van predikant te worden toegelaten, volgt als
voorbereiding een deugdelijke opleiding en dient de voor dit ambt
vereiste gaven te bezitten, waartoe behoren die van ootmoed, wijsheid,
kennis, onderscheidingsvermogen en bekwaamheid om onderwijs te geven.
5.2 Preekconsent voor studenten
Wie de opleiding voor het ambt van predikant volgt, kan bij de
regiovergadering van de gemeente waartoe hij behoort preekconsent
aanvragen. Hij onderwerpt zich bij die regiovergadering aan een
onderzoek naar leer en leven en bekwaamheid. Wie met goed gevolg dit
onderzoek heeft ondergaan, verkrijgt, in de regel voor een termijn van
een jaar, preekconsent.
5.3 Beroepbaarstelling
Nadat de opleiding met goed gevolg is afgesloten, onderwerpt hij zich
aan een onderzoek naar leer en leven en bekwaamheid tot het ambt. Dit
onderzoek vindt plaats op de regiovergadering van de gemeente waartoe
hij behoort. Wie met goed gevolg dit onderzoek heeft ondergaan, wordt
voor een termijn van twee jaren als kandidaat beroepbaar gesteld en
verkrijgt daartoe preekconsent.
5.4 Bijzondere gaven tot het ambt van het predikant
Wie verlangt tot het ambt van predikant te worden toegelaten zonder
de daartoe vereiste opleiding te hebben gevolgd, dient - behalve de in
5.1 genoemde gaven - bijzondere gaven tot het ambt van predikant te
bezitten.
Hij onderwerpt zich aan een onderzoek naar leer en leven en bekwaamheid
tot het ambt. Dit onderzoek vindt plaats op de regiovergadering van de
gemeente waartoe hij behoort. Wie met goed gevolg dit onderzoek heeft
ondergaan, verkrijgt voor een termijn van twee jaren preekconsent. Wie
met goed gevolg een vervolgonderzoek heeft ondergaan, wordt voor een
termijn van twee jaren als kandidaat beroepbaar gesteld en verkrijgt
daartoe preekconsent.
Artikel 6 Beroep en onderzoek van een kandidaat
Wanneer een kandidaat beroepen is door een gemeente en het beroep
aanvaardt, stelt de regiovergadering waartoe de beroepende gemeente
behoort een afsluitend onderzoek naar leer en leven en bekwaamheid in.
Wie met goed gevolg dit onderzoek heeft ondergaan, wordt in het ambt van
predikant bevestigd.
Artikel 7 Beroep van een predikant
Wie als predikant aan een gemeente verbonden is, kan door een andere
gemeente beroepen worden. Wanneer de predikant het beroep aanvaardt,
vindt de bevestiging plaats na goedkeuring van de regiovergadering
waartoe de beroepende gemeente behoort. Hiervoor zijn vereist de
beroepsbrief met een bewijs van aanneming van het beroep, een bewijs van
ontslag, een goede attestatie aangaande leer en leven uit de gemeente
waaraan hij tot dan toe verbonden was, alsmede een goed getuigenis van
de regiovergadering waartoe deze gemeente behoort.
Artikel 8 Band aan een bepaalde gemeente
Niemand vervult het ambt van predikant zonder verbonden te zijn aan een
bepaalde gemeente, noch verricht hij in een andere gemeente enig
ambtelijk werk zonder daartoe een verzoek te hebben ontvangen van of
namens de kerkenraad van die gemeente.
Artikel 9 Levensonderhoud van een predikant
Een gemeente voorziet haar predikant van behoorlijk levensonderhoud, ook
indien deze door ziekte, ouderdom of soortgelijke oorzaak niet meer in
staat is zijn ambtelijk werk te verrichten, en na diens overlijden zijn
weduwe en wezen.
In de regel wordt aan een predikant ontheffing van zijn ambtelijk werk
verleend wanneer hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, tenzij met
wederzijdse bewilliging anders overeengekomen wordt. Hij behoudt de naam
en eer van dienaar van het Woord.
Artikel 10 Ontslag van een predikant om gewichtige redenen
Een predikant die naar het oordeel van de kerkenraad om gewichtige, maar
niet tuchtwaardig makende redenen zijn gemeente niet langer kan dienen,
wordt ontslag verleend overeenkomstig de "Procedure
voor ontslag van een predikant om gewichtige redenen".
Tenzij de regiovergadering tot het oordeel komt dat de predikant ook in
een andere gemeente zijn ambt niet naar behoren zal kunnen vervullen,
wordt hij voor een bepaalde termijn beroepbaar gesteld en blijft zolang
als predikant verbonden aan de gemeente die hij diende.
Artikel 11 Dienst van de predikant; bijzondere opdrachten
11.1 Dienst van de predikant
De dienst van de predikant houdt in:
• het verkondigen van Gods Woord,
• het bedienen van de sacramenten,
• het voorgaan in de openbare gebeden van de gemeente,
• het verdedigen en doorgeven van de zuivere leer en het onderwijzen
van de jeugd van de gemeente en van allen die dit behoeven,
• alsmede het samen met de medeambtsdragers herderlijk zorgen voor de
gemeente en haar leden en haar toerusten tot dienstbetoon,
• het toezien op leer en wandel van medeambtsdragers,
• en het samen met de ouderlingen uitoefenen van de kerkelijke tucht.
11.2 Predikant met bijzondere opdracht
Een predikant kan een bijzondere opdracht ontvangen, zoals ten behoeve
van de opleiding tot predikant, geestelijke verzorging van bijzondere
aard of verbreiding van het evangelie.
Een predikant met bijzondere opdracht blijft aan een gemeente verbonden.
De verhouding waarin deze tot de betrokken gemeente staat, wordt
geregeld met goedkeuring van de regiovergadering.
Artikel 12 Ambtstermijn van ouderling en diaken
Een ouderling of diaken dient naar plaatselijke regeling twee of meer
jaren. Na afloop van zijn ambtstermijn treedt hij af, tenzij de
kerkenraad het wenselijk oordeelt dat hij langer dient. Voor dit oordeel
wordt de instemming van de gemeente gevraagd.
Artikel 13 Dienst van de ouderling
De dienst van de ouderling houdt in:
• het herderlijk zorgen voor de gemeente en haar leden,
• het toerusten tot dienstbetoon,
• het toezien op leer en wandel van medeambtsdragers,
• en het samen met de predikant uitoefenen van de kerkelijke tucht.
Artikel 14 Dienst van de diaken
De dienst van de diaken houdt in:
• het verlenen van christelijke ondersteuning aan de leden van de
gemeente - en naar vermogen ook aan anderen - die in nood verkeren,
• hen met raad en troost bijstaan
• en het opwekken van de leden van de gemeente tot het bewijzen van
barmhartigheid aan de naaste.
Artikel 15 De kerkenraad
De ambtsdragers vormen gezamenlijk de kerkenraad. Deze is belast met de
leiding en verzorging van de gemeente. Voor overleg daartoe vergadert de
kerkenraad regelmatig.
Van genomen besluiten wordt nauwkeurig aantekening gemaakt.
De uitoefening van de tucht is voorbehouden aan de ouderlingen samen met
de predikant.
Artikel 16 De consulent
Een regiovergadering verleent een gemeente in haar midden op verzoek
hulp, door een predikant als consulent aan te wijzen om deze gemeente
met raad en daad bij te staan.
II. Het opzicht over de leer en de
eredienst
Artikel 17 Ondertekening Formulieren van Enigheid
Als blijk van instemming met de leer van de kerk geldt de ondertekening
van de drie Formulieren van Enigheid: de Nederlandse Geloofsbelijdenis,
de Heidelbergse Catechismus, en de Dordtse Leerregels.
Deze instemming wordt gevraagd na bevestiging van een ambtsdrager en na
het regio-examen tot verlening van preekconsent, beroepbaarstelling of
toelating tot het ambt van predikant.
Wie de ondertekening weigert of niet langer voor zijn rekening kan
nemen, legt verantwoording af aan de kerkenraad. Totdat de kerkenraad
met deze verantwoording genoegen neemt, wordt de uitoefening van het
ambt, het preekconsent of de beroepbaarstelling opgeschort. De
kerkenraad doet hiervan mededeling aan de gemeente en de regio en geeft
desgewenst nader rekenschap.
Artikel 18 De eredienst
De kerkenraad roept de gemeente op de zondag in de regel tweemaal samen
voor het houden van een eredienst.
In elke samenkomst wordt Gods Woord bediend.
Regelmatig wordt de gemeente in de leer van de kerk onderwezen aan de
hand van de Heidelbergse catechismus.
Over de viering van de christelijke feest- en gedenkdagen beslist de
kerkenraad.
Artikel 19 Bediening van de heilige doop
Het verbond van de Here wordt, zodra mogelijk, aan de kinderen van de
gelovigen betekend en verzegeld door de doop in een openbare samenkomst
van de gemeente, met gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier.
Een volwassene die niet gedoopt is en opneming in de gemeente verlangt,
ontvangt de doop na het afleggen van openbare belijdenis van het geloof,
met gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier.
De kerkenraad houdt van elke doopbediening nauwkeurig aantekening.
Artikel 20 Toelating tot het heilig avondmaal
Tot het avondmaal wordt toegelaten wie openbare belijdenis heeft gedaan
van het geloof en een gelovige levenswandel vertoont.
Een belijdend lid van een andere gemeente wordt tot het avondmaal
toegelaten, indien op goede gronden kan worden aangenomen dat hij zich
in leer en leven als goed christen gedraagt.
Artikel 21 Bediening van het heilig avondmaal
Het avondmaal als teken en zegel van de gemeenschap met Christus wordt
ten minste eens in de drie maanden in een openbare samenkomst van de
gemeente bediend met gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier.
Artikel 22 Catechese en geloofsbelijdenis
22.1 Catechese
De kerkenraad draagt zorg voor het catechetisch onderwijs aan de jeugd
van de gemeente.
Dit onderwijs is gericht op het afleggen van openbare belijdenis van het
geloof.
22.2 Geloofsbelijdenis
De kerkenraad onderzoekt leer en leven van degene, die voornemens is
belijdenis af te leggen.
Zijn naam wordt op twee zondagen afgekondigd. Indien geen gegronde
bezwaren worden ingebracht, vindt de belijdenis van het geloof plaats in
een openbare samenkomst van de gemeente met gebruikmaking van een
daarvoor bestemd formulier.
Artikel 23 Attestatie
Aan elk lid dat de gemeente verlaat wegens overgang naar een
zustergemeente, geeft de kerkenraad een getuigenis aangaande leer en
leven mee, bestemd voor de kerkenraad van die gemeente.
Voor wie nog geen openbare belijdenis heeft afgelegd wordt een
doopattest toegezonden aan die kerkenraad.
Artikel 24 Huwelijk
De kerkenraad ziet erop toe dat leden van de gemeente hun huwelijk
aangaan overeenkomstig Gods Woord.
Na de burgerlijke voltrekking van het huwelijk vindt, indien gewenst, de
kerkelijke bevestiging of voorbede plaats in een openbare samenkomst van
de gemeente met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier.
De namen van hen die een kerkelijke bevestiging van hun huwelijk
aanvragen, worden op twee zondagen afgekondigd. Indien geen gegronde
bezwaren worden ingebracht, vindt de bevestiging of voorbede plaats.
III. De tucht
Artikel 25 Karakter van de tucht
De kerkelijke tucht draagt een geestelijk karakter en is er op gericht
de leden van de gemeente die zondigen te behouden, hen met God, de
gemeente en hun naaste te verzoenen en de gemeente te bewaren bij de
heiligheid van het verbond van de Here.
Artikel 26 Onderling toezicht
Heeft iemand een zonde bedreven die geen openbaar karakter draagt, dan
wordt hij hierover vermaand (naar de regel van Matt.18:15,16 en
Gal.6:1).
Indien de zondaar geen berouw toont, wordt de kerkenraad hierin gekend (Matt.18:17).
Heeft iemand een openbare zonde bedreven, dan wordt dit ter kennis van
de kerkenraad gebracht.
Artikel 27 Vermaan en verzoening
27.1 Onderzoek en vermaan
De kerkenraad onderzoekt de beschuldiging en stelt de betrokkene in
de gelegenheid zich te verantwoorden.
Indien de beschuldiging gegrond is, vermaant de kerkenraad hem de zonde
te belijden en zich te bekeren.
27.2 Berouw en verzoening
Wanneer het vermaan van de kerkenraad berouw tot gevolg heeft, vindt
verzoening plaats op een wijze die de kerkenraad juist oordeelt.
Artikel 28 Voortgaande tucht
Wie geen blijk geeft van berouw en de vermaningen van de kerkenraad
verwerpt, wordt van het heilig avondmaal afgehouden. Indien na herhaalde
vermaning geen bekering volgt, wordt tot afsnijding overgegaan.
De kerkenraad past dit laatste redmiddel slechts toe nadat mededeling is
gedaan aan de gemeente met het oog op haar instemming.
De afsnijding vindt plaats in een openbare samenkomst van de gemeente
met gebruikmaking van een daarvoor bestemd formulier.
Artikel 29 Wederopneming
Indien iemand die afgesneden is van de gemeente, na bekering begeert
weer te worden opgenomen, wordt hiervan aan de gemeente mededeling
gedaan met het oog op haar instemming.
Wederopneming vindt onder dankzegging aan de Here plaats in een openbare
samenkomst van de gemeente met gebruikmaking van een daarvoor bestemd
formulier.
Artikel 30 Tucht over een ambtsdrager
30.1 Schorsing en afzetting
Wanneer een ambtsdrager een onschriftuurlijke leer brengt of een
openbare ernstige zonde bedrijft, wordt hij door de kerkenraad in de
uitoefening van zijn ambt geschorst of uit zijn ambt gezet.
30.2 Schorsingsprocedure
De kerkenraad gaat slechts tot schorsing over nadat:
a. het voorgenomen besluit tot schorsing door of namens de kerkenraad is
besproken met de betrokken ambtsdrager;
b. goedkeuring is verkregen van de naastgelegen naburige kerk.
De kerkenraad stelt de betrokken ambtsdrager zo spoedig mogelijk,
schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn beslissing en vermeldt
daarbij de door de naburige kerk gegeven goedkeuring.
Van de schorsing wordt mededeling gedaan aan de gemeente met het oog op
haar instemming.
Van de schorsing van een predikant wordt tevens mededeling gedaan aan de
zusterkerken.
30.3 Afzettingsprocedure
De kerkenraad gaat slechts tot afzetting over nadat:
a. het voorgenomen besluit tot afzetting door of namens de kerkenraad is
besproken met de betrokken ambtsdrager;
b. goedkeuring is verkregen van de regiovergadering.
De goedkeuring van de regiovergadering wordt verkregen in een besloten
vergadering, waarin de betrokken ambtsdrager en kerkenraad gelegenheid
krijgen in elkaars aanwezigheid te worden gehoord.
De kerkenraad, ambtsdrager en de overige afgevaardigden die bij de
tuchtuitoefening betrokken zijn geweest of belang hebben, nemen niet
deel aan de beraadslagingen.
De goedkeuring behoeft de medewerking van een naburige regio, waaruit
ten minste een tweetal afgevaardigden de vergadering bijwoont.
De kerkenraad stelt de betrokken ambtsdrager zo spoedig mogelijk,
schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn beslissing en vermeldt
daarbij de door de regiovergadering gegeven goedkeuring.
Van de afzetting wordt mededeling gedaan aan de gemeente met het oog op
haar instemming.
Van de afzetting van een predikant wordt tevens mededeling gedaan aan de
zusterkerken.
IV. De kerkelijke
vergaderingen
Artikel 31 Samenwerking van de kerken
31.1 Eendrachtig samenwerken
De kerken, die van Christus zijn, werken eendrachtig samen. Zij wekken
elkaar op Gods Woord te bewaren en te blijven bij de leer van de kerk
naar de drie Formulieren van Enigheid. Zij helpen en dienen elkaar en
behartigen in regionaal en landelijk verband de zaken die zij
gemeenschappelijk hebben. Zij heersen daarbij niet over elkaar, maar
hebben geduld met elkaar en verwachten samen de tijd van God waarin Hij
de weg duidelijk zal maken.
31.2 Regio, regiovergadering en landelijke vergadering
Naburige kerken vormen gezamenlijk een regio.
De kerken van een regio komen door afgevaardigden bijeen in een
regiovergadering.
Alle kerken gezamenlijk komen door afgevaardigden bijeen in een
landelijke vergadering.
Deze vergaderingen dragen geen blijvend karakter; zij houden op te
bestaan zodra zij gesloten zijn.
Zij worden samengeroepen door de kerk die door de laatstgehouden
vergadering daartoe werd aangewezen. Van genomen besluiten wordt
nauwkeurig aantekening gemaakt.
Artikel 32 Uitsluitend kerkelijke zaken
De agenda van een regiovergadering of landelijke vergadering bevat
uitsluitend kerkelijke zaken. De agenda wordt door de kerken
samengesteld.
Een regiovergadering behandelt alleen wat niet door een kerkenraad, een
landelijke vergadering alleen wat niet door een regiovergadering kan
worden afgehandeld en verder wat tot de regio respectievelijk alle
kerken gemeenschappelijk behoort.
Aan de samengeroepen kerken wordt vroegtijdig medegedeeld welke zaken
worden voorgelegd, opdat zij haar oordeel kenbaar kunnen maken en haar
afgevaardigden behoorlijk kunnen instrueren.
Wie door een regiovergadering of landelijke vergadering met een opdracht
wordt belast, ontvangt die opdracht welomschreven en rapporteert tijdig
aan de betrokken kerken. Het rapport komt aan de orde op de eerstkomende
regiovergadering, dan wel landelijke vergadering.
Artikel 33 Besluitvorming
Een regiovergadering of landelijke vergadering behandelt de haar
voorgelegde zaken op kerkelijke wijze, waarbij zij naar overeenstemming
streeft voordat een zaak door stemming wordt beslist.
Artikel 34 Bekrachtiging en nakoming van besluiten
Een besluit van een regiovergadering of landelijke vergadering wordt
door de plaatselijke kerken bekrachtigd en in onderlinge liefde
nagekomen, tenzij dit besluit strijdig bevonden wordt met Gods Woord of
ook als het niet overeenstemt met de leer van de kerk of met dit Akkoord
voor Kerkelijk Samenleven.
Een kerkenraad die een besluit niet bekrachtigt om bovengenoemde redenen
of niet kan uitvoeren om redenen die het welzijn van de gemeente
betreffen, geeft hiervan rekenschap aan de zusterkerken.
Artikel 35 Beroep op een meerdere vergadering
Tegen een besluit van de kerkenraad staat beroep open op de
regiovergadering, en tegen een besluit van de regiovergadering op de
landelijke vergadering.
Tegen elk besluit is slechts één beroep mogelijk; tegen een besluit
dat de leer van de kerk, tucht over een ambtsdrager of ontslag van een
predikant betreft staat echter beroep open tot op de landelijke
vergadering.
Een gemeentelid, kerkenraad of regiovergadering die bij een besluit
betrokken zijn geweest of belang hebben, krijgen gelegenheid in elkaars
aanwezigheid te worden gehoord, maar nemen niet deel aan de
beraadslagingen.
Naar de verkregen uitspraak voegt men zich, tenzij dit niet recht zou
zijn voor God.
Artikel 36 Afvaardiging naar de regiovergadering
Naar de regiovergadering zendt elke kerk uit die regio twee stemhebbende
afgevaardigden, voorzien van een bewijs van afvaardiging en eventuele
instructies. Deze vergadering wordt ten minste tweemaal per jaar
gehouden, waarbij een afgevaardigde van telkens een andere kerk
voorzitter is.
Artikel 37 Kerkelijke rondvraag
37.1 Oordeel en hulp
In de regiovergadering wordt gevraagd of een kerk het oordeel en de
hulp van de zusterkerken nodig heeft.
37.2 Op elkaar acht geven
De regiovergadering draagt er zorg voor dat de kerken elkaar op de
hoogte stellen van de arbeid van de ambtsdragers, opdat deze kerken
elkaar bijstaan, op elkaar acht geven en elkaar tijdig vermanen wanneer
een kerk nalatig bevonden wordt.
De regiovergadering kan hiertoe enigen uit de kerken aanwijzen die de
kerkenraden bezoeken en over hun bevinding aan de regio rapporteren.
Artikel 38 Landelijke vergadering
38.1 Afvaardiging, leiding en frequentie
Naar de landelijke vergadering zendt elke regiovergadering vier
stemhebbende afgevaardigden, voorzien van een bewijs van afvaardiging en
eventuele instructies. Van deze vier afgevaardigden worden, zo mogelijk,
geen twee uit dezelfde kerk gekozen.
De leiding van de landelijke vergadering berust bij een uit de
vergadering gekozen moderamen.
Een landelijke vergadering wordt in de regel elke drie jaren gehouden.
Vervroegde bijeenroeping vindt plaats:
• indien beroep is ingesteld inzake tucht over of ontslag van een
predikant, of
• op verzoek van twee regiovergaderingen.
38.2 Agenda en voorlopig oordeel
Een landelijke vergadering wordt gesloten nadat haar agenda is
afgehandeld.
Zij kan echter ook in een haar voorgelegde gewichtige zaak slechts een
voorlopig oordeel geven. In dit geval wordt de landelijke vergadering,
nadat de agenda voor het overige is afgehandeld, voorlopig gesloten.
Een landelijke vergadering wordt voorlopig gesloten indien ten minste
twaalf kerken de wens hiertoe voor opening van de landelijke vergadering
kenbaar gemaakt hebben, of indien een derde deel van de aanwezige
afgevaardigden zich hiervoor ter vergadering uitspreekt.
38.3 Voortgezette landelijke vergadering
Een voorlopig gesloten landelijke vergadering wordt voortgezet om de
zaken waarover zij een voorlopig oordeel gaf, af te handelen.
Naar de voortgezette landelijke vergadering zendt elke kerk rechtstreeks
één stemhebbende afgevaardigde, voorzien van een bewijs van
afvaardiging.
Een oorspronkelijke afgevaardigde naar deze landelijke vergadering heeft
in de voortgezette vergadering een adviserende stem. Hij kan door de
kerk waarvan hij lid is, echter ook worden aangewezen als haar
stemhebbende afgevaardigde.
De notulen betreffende de zaken waarover een voorlopig oordeel is
gegeven, worden uiterlijk twee maanden na het uitspreken van het
voorlopige oordeel naar de kerken gezonden. De voortgezette vergadering
vindt binnen vier maanden na de voorlopige sluiting plaats.
Een voortgezette landelijke vergadering kan een voorlopig besluit -
eventueel geamendeerd - aannemen of verwerpen, maar niet vervangen.
Artikel 39 Relatie met andere kerken
De kerken dienen de eenheid van alle in belijdenis en leven
gereformeerde kerken in Nederland en daarbuiten, ook als die een ander
gebruik hebben.
Artikel 40 Functionering van het kerkelijk akkoord
De kerken beloven elkaar dit akkoord naar vermogen te onderhouden, met
inachtneming van wat Gods Woord gebiedt.
De artikelen behoren gewijzigd, vermeerderd of verminderd te worden
wanneer de kerken daarmee gediend zijn, zo ook als dit bevorderlijk is
voor de oefening van de gemeenschap met kerken van eenzelfde belijdenis,
mits niet strijdig met Gods Woord; slechts een landelijke vergadering is
bevoegd hiertoe te besluiten.

|