Informatie
De Nederlandse Geloofsbelijdenis, opgesteld o.a. door Guido
de Bray (Guido de Bres) (1522-1567), is in 1561 in het Frans uitgegeven
in wat nu het noorden van Frankrijk is. Ze moest dienen als
verantwoording tegenover de Spaanse overheid. Van het begin af heeft ze
ook gediend als verwoording van het gemeenschappelijk geloof van de
Nederlandse gereformeerden.
Verschillende kerkvergaderingen hebben haar officieel gezag gegeven, o.a. de Synode van Dordrecht (1618-1619). De tekst van het Gereformeerd
Kerkboek is vastgesteld op de Generale synode Heemse 1984-1985.
Om iets meer van de achtergrond te proeven wordt hier ook de tekst van het begeleidend
schrijven van Guido de Bray aan Philips II weergegeven zoals die in
eigentijds Nederlands is opgenomen in de Acta van de Generale Synode
Heems (II,254-256).
De gelovigen in de Nederlanden die willen
leven naar de ware reformatie van het Evangelie van onze Here Jezus Christus,
aan de onoverwinnelijke Koning Philips, hun hoogste Heer.
Door middel van deze brief willen wij U op de hoogte
stellen van het lijden van Uw volk. Graag hadden wij ons persoonlijk bij
U verdedigd tegen de beschuldigingen die men tegen ons inbrengt. Onze
vijanden hebben echter zoveel valse aanklachten bij U ingediend, dat wij de
kans niet krijgen voor U te verschijnen om onze zaak te bepleiten. Wij
worden zelfs verbannen, vermoord en verbrand. Nergens zijn we veilig.
Daarom vragen wij U of U naar onze klachten wilt luisteren.
Wanneer men ons immers alleen maar hoeft te beschuldigen en wij de gelegenheid
niet krijgen ons te verdedigen, is vrijspraak uitgesloten. U mag,
mijnheer de koning, als U ons na het aanhoren van onze klachten schuldig
bevindt, de brandstapels en andere straffen in Uw koninkrijk vermeerderen.
Wanneer echter blijkt dat wij onschuldig zijn, wilt U ons dan tegen de macht
van onze vijanden beschermen.
Onze vijanden beweren dat wij ongehoorzame opstandelingen zijn, die er alleen
maar op uit zijn elk overheidsgezag te vernietigen en verwarring in de wereld
te brengen. Zij beweren dat wij niet alleen onszelf van Uw heerschappij
willen bevrijden, maar U ook van Uw troon willen stoten. Misdaden, die
in strijd zijn met onze belijdenis, ons "christen zijn" en zelfs met
ons "mens zijn"! Misdaden, die terecht het oude spreekwoord
van de Romeinse tirannen zouden doen herleven: de christenen voor de leeuwen.
Maar beschuldigen alleen is niet voldoende. Het gaat om het bewijs.
De profeten, de apostelen en ook de leden van de eerste christelijke gemeente
zijn aangeklaagd en met dergelijke laster schijnbaar in het nauw gebracht.
Maar net als zij dat in hun tijd gedaan hebben, verklaren wij nu uitdrukkelijk
voor God en Zijn engelen dat wij niets liever willen dan, gehoorzaam aan de
overheid, met een zuiver geweten te leven, God te dienen en ons leven te
richten naar Zijn Woord. Bovendien kunnen onze rechters getuigen dat zij nooit
bij ons iets opgemerkt hebben wat op ongehoorzaamheid wees jegens U of de
openbare orde verstoorde. Zij zullen daarentegen gemerkt hebben dat wij
in onze bijeenkomsten bidden voor koningen en andere overheidspersonen en in
het bijzonder voor U, Majesteit, en voor hen die U hebt aangesteld om Uw rijk
te besturen. Wij weten immers uit Gods Woord en ook door het onderwijs
van onze predikanten, dat koningen en andere gezagsdragers door God zijn
aangesteld, en dat wie zich tegen de overheid verzet, Gods gebod
overtreedt en Zijn oordeel over zich haalt. Wij belijden dat door Gods
eeuwige wijsheid koningen heersen en overheidspersonen rechtspreken.
Kortom, zij zijn niet door onrecht tot hun gezag gekomen, maar door God zelf
aangesteld.
Dit alles belijden wij niet alleen met de mond, maar ook met ons hart.
Niemand onder ons heeft immers ooit geweigerd U belasting te betalen.
Ieder heeft gehoorzaam betaald, zodra er een aanslag kwam. Ook is er bij
ons nooit wapenbezit of een samenzwering ontdekt, zelfs niet toen wij door hen
die zich met een beroep op U aan alle mogelijke wreedheid te buiten gaan, zo
wreed gemarteld werden. Zelfs het geduld van de zachtmoedigste zou
daardoor toch veranderen in woede en wanhoop.
Wij danken echter onze God dat het bloed van onze broeders, voor onze zaak, of
liever voor de zaak van Jezus Christus vergoten, tot God roept. De
verbanningen, gevangenisstraffen, pijnbanken, verbeurdverklaringen,
martelingen en andere verdrukkingen bewijzen wel dat het ons niet om onszelf
te doen is. Wij zouden het immers veel gemakkelijker kunnen hebben, als
wij deze leer niet verdedigden.
Wij vrezen echter God, verschrikt door het dreigende woord van Jezus Christus,
die zegt dat Hij ons verloochenen zal voor God Zijn Vader, als wij Hem voor de
mensen verloochenen. Omdat wij weten dat wie Christus wil volgen, zijn
kruis op moet nemen en zichzelf moet verloochenen, ondergaan wij al deze
martelingen geduldig. Een normaal mens zal hen die land, familie en
vrienden verlaten om in vrede te leven, daarom nooit van oproer kunnen
verdenken. Evenmin zal hij hen die voor het Evangelie sterven, ervan
kunnen verdenken dat zij de koning van zijn macht willen beroven. In dat
Evangelie staat immers: geeft aan de keizer wat van de keizer is en aan God
wat van God is. Als zij dus hun lichaam en bezit aan de koning
prijsgeven, vragen zij U of zij aan God mogen geven wat Hij van hen eist. Dat
mogen wij God niet weigeren, omdat Hij ons gekocht en duur betaald heeft en
ons tot Zijn eigendom heeft gemaakt.
Voorts menen wij dat onze vijanden misbruik maken van Uw goedheid en geduld,
als zij U dwingen naar hun misleidende woorden te luisteren. Zij zeggen
namelijk dat wij alleen wegens ons kleine aantal niet tegen U opstaan.
Alsof ieder van ons in zijn hart een opstandeling is en wij slechts op het
meedoen van de massa wachten om U aan te vallen en onze woede te koelen.
Maar wij verzekeren U, mijnheer de koning, dat er in de Nederlanden meer dan
honderdduizend mannen zijn die de godsdienst waarvan wij U de belijdenis
aanbieden, aanhangen. Bij niemand van hen is er iets van voorbereiding van een
opstand te merken. Er is zelfs nog nooit over gesproken.
Wij noemen U dit grote aantal van onze broeders niet, mijnheer de koning, om
al Uw ambtenaren en dienaren bang te maken. Wij willen daarmee de
lasterpraatjes weerleggen van hen die ons alleen door leugens gehaat kunnen
maken, en een beroep doen op Uw barmhartigheid. Want als U van plan bent
zoveel mensen om te brengen, zal dat rampzalige gevolgen hebben voor Uw
onderdanen. U zult ontzettend veel verdriet veroorzaken bij vrouwen,
kinderen, verwanten en vrienden.
Iedereen zal ontdaan zijn, als hij ziet hoe zoveel aanzienlijk en geliefde
burgers na martelingen en een verschrikkelijke gevangenschap op zo'n
schandelijke en ongehoord wrede manier worden gedood. En hun vrouwen, als zij
tenminste kunnen ontsnappen, zullen in vreemde landen moeten rondzwerven en
met hun kinderen op de arm om brood moeten bedelen.
Wij hopen, mijnheer de koning, dat het nageslacht Uw bewind niet als bloedig
en wreed zal typeren. Laat men niet zeggen dat de eer van Uw vader en
voorvader en Uw eigen deugden door deze wreedheid overschaduwd zijn. Zo'n
wreedheid is toch een mens onwaardig en past zeker niet bij een vorst, van wie
zachtmoedigheid juist de belangrijkste deugd is. Zachtmoedigheid is toch wat
een echte koning onderscheidt van een tiran.
Men vervolgt ons niet alleen als vijanden van U en van de samenleving, maar
ook als vijanden van God en van Zijn kerk. Daarom vragen wij U of U ons wilt
beoordelen naar onze geloofsbelijdenis die wij U hierbij aanbieden. Wij zijn
bereid deze belijdenis zonodig met ons eigen bloed te bekrachtigen. Hopelijk
zult U erkennen dat men ons ten onrechte scheurmakers, opstandelingen en
ketters noemt. Want wij belijden niet alleen de hoofdpunten van het
christelijk geloof, vervat in de apostolische geloofsbelijdenis, maar de
gehele leer die Jezus Christus ons geopenbaard heeft tot leven, gerechtigheid
en behoud.
Deze leer is door de evangelisten en apostelen verkondigd, bezegeld met het
bloed van vele martelaren, en zuiver bewaard door de eerste christelijke
gemeenten.
Maar door de onkunde, hebzucht en eerzucht van predikers, en door menselijke
verzinsels en instellingen - volkomen in strijd met het zuivere Evangelie -,
is zij totaal verminkt.
Onze tegenstanders ontkennen op onbeschaamde wijze dat dit Evangelie de kracht
van God tot behoud is voor ieder die gelooft. Dat ontkennen zij namelijk
als zij ons veroordelen en vermoorden, omdat wij ons niet houden aan wat niet
in het Evangelie staat. Daarmee lasteren zij de Heilige Geest. Zij
ontkennen immers dat heel Gods wijsheid en alles wat voor onze zaligheid nodig
is, in het Oude en Nieuwe Testament staat. Zij zeggen dat hun verzinsels
daarbij noodzakelijk zijn en dat degene die deze niet van dezelfde of hogere
waarde dan het Evangelie acht, vervloekt is, verbannen en gedood moet worden,
en zelfs de helse straf verdient.
Wij beven bij deze woorden en schrikken van de dreigementen van hen die macht
hebben ons lichaam te verbranden. Maar anderzijds horen wij de apostel
zeggen: "Ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een Evangelie
verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij
vervloekt!" Ook horen wij hoe Johannes zijn profetie als volgt
besluit: "Ik betuig aan een ieder die de woorden der profetie van dit
boek hoort: indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen
die in dit boek beschreven zijn". Kortom, wij horen dat ons
verboden wordt iets toe te voegen aan Gods geboden of daarvan iets weg te
laten. Jezus Christus zegt ons dat Hij ons alles wat Hij van Zijn Vader
gehoord heeft, te kennen heeft gegeven.
Nu heeft Christus ter wille van de zwakheid van de apostelen hun nog iets
verzwegen. Maar Hij heeft beloofd hun dat te openbaren door de Heilige Geest
die Hij hun zou zenden. En omdat Hij de Waarheid zelf is, zijn wij er zeker
van dat Hij die belofte aan hen gehouden heeft. Daarom staan die
"verborgenheden" in het Evangelie en in de brieven van de apostelen
die na die belofte en na het ontvangen van de Heilige Geest geschreven zijn.
Degenen die onder de "verborgenheden die de apostelen niet konden
dragen" hun ceremoniën en bijgeloof, die in strijd zijn met Gods Woord,
verstaan, misbruiken dus de woorden van de evangelisten. Wij zouden dit
gemakkelijk kunnen bewijzen door het getuigenis van de Schrift. Wij
moeten in een brief echter kort zijn en willen U niet lastig vallen. Wel
verzoeken wij U in de naam van Hem die U tot koning heeft aangesteld, niet toe
te laten dat onze vijanden uit eerzucht en met kwade bedoelingen Uw macht
gebruiken om hun snode plannen uit te voeren. Door onze geloofsijver als
oproer en schandaal te bestempelen stoken zij U tegen ons op.
Maar, mijnheer de koning, U moet wel bedenken dat de wereld altijd het licht
heeft gehaat en tegen de waarheid in opstand is gekomen. Maar is dan hij
die de waarheid spreekt, een oproerkraaier, omdat de mensen zich daartegen
verzetten?
Integendeel! Het is de duivel, de onverzoenlijke vijand van God en van
de mensen, die oproer en schandaal veroorzaakt. Om zijn rijk, dat bestaat uit
afgoderij, valse eredienst, hoererij en andere zonden die het Evangelie
verbiedt, niet te verliezen, komt hij in opstand en probeert hij de voortgang
van het Evangelie te verhinderen.
Hierbij komt de ondankbaarheid van de wereld. In plaats van Gods Woord
dankbaar aan te nemen, verzet zij zich daartegen, waarbij ze zich alleen
beroept op de lange tijd die zij al in haar dwaling leeft. Door die lange tijd
als norm te stellen probeert zij zich te verzetten tegen Hem die de tijden
heeft geschapen en voor wie alle dingen "heden" zijn.
Het is Uw plicht, mijnheer de koning, van dit alles kennis te nemen en U tegen
de dwaling te verzetten, ook al is zij door de lange tijdsduur diep
ingeworteld. Ook is het Uw plicht om hen te beschermen die tot nog toe
door de rechters eerder verdrukt zijn dan verhoord. Moge de Here U
zegenen en behoeden, moge de Here Zijn aangezicht over U doen lichten en U
bewaren in alle voorspoed, amen.
Artikel 1 - De enige God
Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond1,
dat er één God is2, een geheel enig en éénvoudig geestelijk wezen3.
Hij is eeuwig4, niet te doorgronden5, onzienlijk6,
onveranderlijk7, oneindig8, almachtig9. Hij is
volkomen wijs10, rechtvaardig11 en goed12, en
een zeer overvloedige bron van al het goede7.
1 Rom.
10:10. 2 Deu.
6:4; 1Kor.
8:4, 6; 1Tim.
2:5. 3 Joh.
4:24. 4 Ps.
90:2. 5 Rom.
11:33. 6 Kol.
1:15; 1Tim.
6:16. 7 Jak.
1:17. 8 1Kon.
8:27; Jer.
23:24. 9 Gen.
17:1; Mat.
19:26; Opb.
1:8. 10 Rom.
16:27. 11 Rom.
3:25, 26; Rom.
9:14; Opb.
16:5, 7. 12 Mat.
19:17. Zie voorts Jes.
40, 44
en 46.
Artikel 2 - Hoe wij God kennen
Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste door de
schepping, onderhouding en regering van de hele wereld. Want deze is voor onze
ogen als een prachtig boek1, waarin alle
schepselen, groot en klein, de letters zijn, die ons te aanschouwen geven wat
van God niet gezien kan worden, namelijk zijn eeuwige kracht en
goddelijkheid, zoals de apostel Paulus zegt in Romeinen
1:20. Dit alles is voldoende om de mensen te overtuigen en hun elke
verontschuldiging te ontnemen.
Ten tweede maakt Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons bekend door
zijn heilig en goddelijk Woord2, namelijk voor
zover dat voor ons in dit leven nodig is tot zijn eer en tot behoud van de
zijnen.
1 Ps.
19:2-5. 2 Ps.
19:8, 9; 1Kor.
1:18-21.
Artikel 3 - Het Woord van God
Wij belijden dat dit Woord van God niet is voortgekomen
uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van
Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt (2Petr.
1:21).
Daarna heeft God in zijn bijzondere zorg voor ons en ons behoud zijn knechten,
de profeten en apostelen, geboden zijn geopenbaarde Woord op Schrift te stellen1,
en zelf heeft Hij met zijn vinger de twee tafelen van de wet geschreven2.
Hierom noemen wij zulke geschriften heilige en goddelijke Schriften3.
1 Ex.
34:27; Ps.
102:19; Opb.
1:11, 19. 2 Ex.
31:18. 3 2Tim.
3:16.
Artikel 4 - De canonieke boeken
Wij onderscheiden in de Heilige Schrift twee delen: het Oude
en het Nieuwe Testament. Dit zijn canonieke boeken, waartegen niets valt in te
brengen.
Hiertoe worden in Gods kerk gerekend: de boeken van het Oude Testament: de vijf
boeken van Mozes, namelijk Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium;
Jozua, Richteren, Ruth, 1 en 2 Samuel, 1 en 2 Koningen, 1 en 2 Kronieken, Ezra,
Nehemia, Ester, Job, de Psalmen van David, de drie boeken van Salomo, namelijk
Spreuken, Prediker en Hooglied; de vier grote profeten: Jesaja, Jeremia (met de
Klaagliederen), Ezechiël en Daniël; vervolgens de twaalf kleine profeten:
Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggai,
Zacharia en Maleachi.
De boeken van het Nieuwe Testament: de vier evangelisten Matteüs, Marcus, Lucas
en Johannes; de Handelingen der Apostelen; de dertien brieven van de apostel
Paulus, namelijk aan de Romeinen, twee aan de Korintiërs, twee aan de
Tessalonicenzen, twee aan Timoteüs, aan Titus, aan Filemon; de brief aan de
Hebreeën; de zeven overige brieven, namelijk de brief van Jakobus, twee brieven
van Petrus, drie van Johannes, de brief van Judas; de Openbaring van de apostel
Johannes.
Artikel 5 - Het gezag van de Heilige Schrift
Wij ontvangen1 al deze boeken, en deze alleen, als
heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en
daarmee te bevestigen2. En zonder in enig opzicht te twijfelen
geloven wij alles wat zij bevatten.
Dat doen wij niet zozeer omdat de kerk ze aanneemt en als canoniek erkent, maar
vooral omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn3.
Het bewijs daarvan ligt bovendien in de boeken zelf. Want zelfs blinden kunnen
tasten dat de dingen die erin voorzegd zijn, gebeuren4.
1 1Tes.
2:13. 2 2Tim.
3:16, 17. 3 1Kor.
12:3; 1Joh.
4:6; 1Joh.
5:6b. 4 Deut.
18:21, 22; 1Kon.
22:28; Jer.
28:9; Ezech.
33:33.
Artikel 6 - Het onderscheid tussen de canonieke en de apocriefe boeken
Wij onderscheiden deze heilige boeken van de apocriefe,
namelijk het derde en vierde boek van Ezra, het boek Tobias, Judit, het boek
Wijsheid, Jezus Sirach, Baruch, de Toevoegingen aan het boek Ester, het Gebed
van de drie mannen in het vuur, de Geschiedenis van Susanna, van Bel en de
draak, het Gebed van Manasse en de twee boeken van de Makkabeeën.
De kerk mag deze boeken wel lezen en ervan leren, voor zover zij overeenstemmen
met de canonieke boeken. Zij hebben echter niet zo’n kracht en gezag, dat men
door het getuigenis van deze boeken enig punt van het geloof of van de
christelijke godsdienst zou kunnen bevestigen; laat staan dat zij het gezag van
de andere, de heilige boeken, zouden kunnen verminderen.
Artikel 7 - De volkomenheid van de Heilige Schrift
Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen
bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden1.
Daarin heeft God uitvoerig beschreven op welke wijze wij Hem moeten dienen.
Daarom is het de mensen, zelfs al waren het apostelen, niet geoorloofd anders te
leren dan ons reeds geleerd is door de Heilige Schrift2; zelfs
niet een engel uit de hemel, zoals de apostel Paulus zegt (Gal.
1:8). Het is verboden aan het Woord van God iets toe te voegen of daarvan
af te doen3 (Deut.
12:32). Daaruit blijkt duidelijk dat wat daarin geleerd wordt, volmaakt en
in alle opzichten volledig is4.
Men mag ook geen geschriften van mensen, hoe heilig de schrijvers ook geweest
zijn, op één lijn stellen met de goddelijke Schriften, ook de gewoonte niet
met Gods waarheid — want de waarheid gaat boven alles —; evenmin het grote
aantal, de ouderdom, de ononderbroken voortgang in de tijden of de opvolging van
personen, of de concilies, decreten of besluiten5. Want alle
mensen zijn uit zichzelf leugenaars (Ps.
116:11) en ijdeler dan de ijdelheid zelf.
Daarom verwerpen wij uit de grond van ons hart alles wat met deze onfeilbare
regel niet overeenkomt6. Zo hebben de apostelen het ons geleerd: Beproeft
de geesten of zij uit God zijn (1Joh.
4:1). En: Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem
niet in uw huis (2Joh.
:10).
1 2Tim.
3:16, 17; 1Pet.
1:10-12. 2 1Kor.
15:2; 1Tim.
1:3. 3 Deut.
4:2; Spr.
30:6; Hand.
26:22; 1Kor.
4:6; Opb.
22:18, 19. 4 Ps.
19:8; Joh.
15:15; Hand.
18:28; Hand.
20:27; Rom.
15:4. 5 Mar.
7:7-9; Hand.
4:19; Kol.
2:8; 1Joh.
2:19. 6 Deut.
4:5, 6; Jes.
8:20; 1Kor.
3:11; Ef.
4:4-6; 2Tes.
2:2; 2Tim.
3:14, 15.
Artikel 8 - De Heilige Drieëenheid
Volgens deze waarheid en dit Woord van God geloven wij in
één God1, die een geheel enig wezen is, waarin drie Personen zijn,
namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest2. Deze zijn werkelijk
en van eeuwigheid onderscheiden naar hun onmededeelbare eigenschappen.
De Vader is de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle zichtbare en
onzichtbare dingen3. De Zoon is het Woord, de wijsheid en het beeld
van de Vader4. De Heilige Geest is de eeuwige kracht en macht, die
uitgaat van de Vader en van de Zoon5.
Uit dit onderscheid volgt echter niet dat God in drieën gedeeld is. Want de
Heilige Schrift leert ons dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest wel ieder
hun eigen zelfstandigheid hebben, onderscheiden door haar eigenschappen, maar
toch zo, dat deze drie Personen slechts één God zijn. Het is dus duidelijk dat
de Vader niet de Zoon is en dat de Zoon niet de Vader is; dat eveneens de
Heilige Geest niet de Vader of de Zoon is.
Toch zijn deze Personen, aldus onderscheiden, niet gedeeld of onderling
vermengd. Want de Vader heeft ons vlees en bloed niet aangenomen en ook de
Heilige Geest niet, maar alleen de Zoon. De Vader is nooit zonder de Zoon6
en nooit zonder zijn Heilige Geest geweest, want Zij zijn alle drie even eeuwig
in eenzelfde wezen. Er is geen eerste of laatste, want Zij zijn alle drie één
in waarheid, in macht, in goedheid en barmhartigheid.
1 1Kor.
8:4-6. 2 Mat.
3:16, 17; Mat.
28:19. 3 Ef.
3:14, 15. 4 Spr.
8:22-31; Joh.
1:14; Joh.
5:17-26; 1Kor.
1:24; Kol.
1:15-20; Hebr.
1:3; Opb.
19:13. 5 Joh.
15:26. 6 Micha
5:1; Joh.
1:1, 2.
Artikel 9 - Het getuigenis van de Schrift voor deze leer
Wij weten dit alles zowel uit het getuigenis van de Heilige
Schrift1 als uit de werkingen van deze Personen, voornamelijk uit die
welke wij in onszelf ervaren.
Het getuigenis van de Heilige Schriften dat ons leert deze Heilige Drieëenheid
te geloven, is op vele plaatsen in het Oude Testament te vinden. We behoeven ze
niet op te sommen, maar dienen slechts een zorgvuldige keus te maken. In Genesis
1:26 en 27 zegt God: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze
gelijkenis, enzovoort. En God schiep de mens naar zijn beeld, man en
vrouw schiep Hij hen. Eveneens in Genesis
3:22: Zie, de mens is geworden als Onzer één. Daaruit blijkt dat er
meer dan één Persoon in de Godheid is, want Hij zegt: Laat Ons mensen maken
naar ons beeld; en Hij wijst daarna de eenheid aan, als Hij zegt: God
schiep. Weliswaar zegt Hij niet hoeveel Personen er zijn, maar wat voor ons
enigszins duister is in het Oude Testament, dat is zeer helder in het Nieuwe.
Want toen onze Heer gedoopt werd in de Jordaan, werd de stem van de Vader
gehoord, die zei: Deze is mijn Zoon, de geliefde (Mat.
3:17); terwijl de Zoon werd gezien in het water en de Heilige Geest
verscheen in de gedaante van een duif2.
Bovendien heeft Christus voor de doop van alle gelovigen deze formule gegeven: Doopt
al de volken in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest
(Mat.
28:19). In het Evangelie naar Lucas spreekt de engel Gabriël tot Maria, de
moeder van de Heer, aldus: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van
de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige dat verwekt
wordt, Zoon van God genoemd worden (Luc.
1:35). Eveneens: De genade van de Heer Jezus Christus en de liefde van
God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u (2Kor.
13:13) *.
Op al deze plaatsen wordt ons duidelijk geleerd dat er drie Personen zijn in
één enig goddelijk Wezen. En hoewel deze leer het menselijk verstand ver te
boven gaat, geloven wij die nu op grond van het Woord en verwachten wij dat wij
de volle kennis en vrucht ervan in de hemel zullen genieten.
Verder moeten wij ook letten op het eigen werk dat ieder van deze drie Personen
aan ons verricht: de Vader wordt genoemd onze Schepper door zijn kracht; de Zoon
is onze Heiland en Verlosser door zijn bloed; de Heilige Geest is onze
Heiligmaker, doordat Hij woont in ons hart.
Deze leer van de Heilige Drieëenheid heeft de ware kerk altijd gehandhaafd, van
de tijd van de apostelen af tot nu toe, tegenover joden, mohammedanen en valse
christenen en ketters als Marcion, Mani, Praxeas, Sabellius, Paulus van Samosata,
Arius en dergelijke. De vaderen hebben hen terecht veroordeeld. Daarom
aanvaarden wij in dezen graag de drie oecumenische geloofsbelijdenissen,
namelijk de Apostolische, die van Nicea en van Athanasius, en eveneens wat de
vaderen in overeenstemming daarmee hebben vastgesteld.
1 Joh.
14:16; Joh.
15:26; Hand.
2:32, 33; Rom.
8:9; Gal.
4:6; Tit.
3:4-6; 1Petr.
1:2; 1Joh.
4:13, 14; 1Joh.
5:1-12; Judas
:20, 21; Opb.
1:4, 5. 2 Mat.
3:16.
* De Generale Synode van Heemse
1984-1985 verwijderde op deze plaats de volgende woorden: „En: Drie zijn er
die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie
zijn één.” De verwijzing naar 1Joh.
5:7b. is omstreden, omdat deze tekst in de oude handschriften niet wordt
gevonden.
Artikel 10 - De godheid van Jezus Christus
Wij geloven dat Jezus Christus naar zijn goddelijke natuur de
eniggeboren Zoon van God is1, van eeuwigheid voortgebracht. Hij is
niet gemaakt of geschapen — want dan zou Hij een schepsel zijn — maar één
van wezen met de Vader, mede-eeuwig, Hem in alles gelijk2. De Schrift
noemt Hem: de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen
(Heb.
1:3).
Hij is Gods Zoon, niet alleen sinds Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van
alle eeuwigheid3. De volgende getuigenissen leren ons dat, wanneer
wij ze met elkaar vergelijken.
Mozes zegt dat God de wereld heeft geschapen4, en de apostel Johannes
zegt dat alle dingen zijn geschapen door het Woord, dat hij God noemt5.
De apostel zegt dat God de wereld door zijn Zoon geschapen heeft6 en
eveneens dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft7.
Daarom moet Hij die genoemd wordt God, het Woord, de Zoon en Jezus Christus, er
reeds geweest zijn, toen alle dingen door Hem geschapen werden. De profeet Micha
zegt dan ook: Zijn oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid (Micha
5:1). En de brief aan de Hebreeën: Hij is zonder begin van dagen of
einde van leven (Heb.
7:3).
Zo is Hij dan de ware, eeuwige God, die Almachtige die wij aanroepen, aanbidden
en dienen.
1 Mat.
17:5; Joh.
1:14, 18; 3:16;
14:1-14;
20:17,
31;
Rom.
1:4; Gal.
4:4; Heb.
1:1; 1Joh.
5:5, 9-12.
2 Joh.
5:18, 23;
10:30;
14:9;
20:28;
Rom.
9:5; Fil.
2:6; Kol.
1:15; Tit.
2:13; Heb.
1:3; Opb.
5:13. 3 Joh. 8:58;
17:5;
Heb.
13:8. 4 Gen.
1:1. 5 Joh.
1:1-3. 6 Heb.
1:2. 7 1Kor.
8:6; Kol.
1:16.
Artikel 11 - De godheid van de Heilige Geest
Wij geloven en belijden ook dat de Heilige Geest van
eeuwigheid van de Vader en de Zoon uitgaat. Hij is niet gemaakt of geschapen en
ook niet voortgebracht; wij kunnen alleen maar zeggen: Hij gaat van beiden uit1.
In orde is Hij de derde Persoon van de Drieëenheid, van éénzelfde wezen,
majesteit en heerlijkheid als de Vader en de Zoon, echt en eeuwig God, zoals de
Heilige Schriften ons leren2.
1 Joh.
14:15-26; 15:26;
Rom.
8:9. 2 Gen.
1:2; Mat.
28:19; Hand.
5:3, 4; 1Kor.
2:10; 3:16;
6:11;
1Joh.
5:6.
Artikel 12 - De schepping van de wereld; de engelen
Wij geloven dat de Vader door zijn Woord — dat is door zijn
Zoon — de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, toen
het Hem goed dacht1. Ook heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen en
gedaante gegeven en zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen. Ook nu nog houdt
Hij ze alle in stand en regeert ze overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en
door zijn oneindige kracht, opdat zij de mens dienen, zodat de mens zijn God kan
dienen.
Hij heeft ook de engelen goed geschapen, om zijn gezanten te zijn en zijn
uitverkorenen te dienen2. Sommigen van die engelen zijn uit die
verheven staat waarin God hen geschapen had, in het eeuwige verderf gevallen3,
maar door Gods genade hebben anderen volhard en zijn in hun oorspronkelijke
staat staande gebleven. De duivelen en boze geesten zijn zo verdorven, dat zij
vijanden van God en van al het goede zijn4. Uit alle macht loeren zij
als moordenaars op de kerk en elk van haar leden, om alles door hun
bedriegerijen te vernielen en te verwoesten5. Zij zijn daarom door
hun eigen slechtheid veroordeeld tot de eeuwige ondergang en verwachten
dagelijks hun verschrikkelijke pijnigingen6.
Wat dit betreft verwerpen en verfoeien wij de dwaling van de Sadduceeën, die
loochenen dat er geesten en engelen zijn7. En ook de dwaling van de
manicheeërs, die zeggen dat de duivelen hun oorsprong uit zichzelf hebben en
van nature slecht zijn; zij ontkennen dat de duivelen slecht zijn geworden.
1 Gen.
1:1; 2:3;
Jes.
40:26; Jer.
32:17; Kol.
1:15, 16; 1Tim.
4:3; Heb.
11:3; Opb.
4:11. 2 Ps.
103:20, 21; Mat.
4:11; Heb.
1:14. 3 Joh.
8:44; 2Pet.
2:4; Judas
:6. 4 Gen.
3:1-5; 1Pet.
5:8. 5 Ef.
6:12; Opb.
12:4, 13-17;
20:7-9.
6 Mat.
8:29; 25:41;
Opb.
20:10. 7 Hand.
23:8.
Artikel 13 - Gods voorzienigheid
Wij geloven dat deze goede God, nadat Hij alle dingen
geschapen had, ze niet aan zichzelf heeft overgelaten, of aan het toeval of het
lot heeft prijsgegeven1, maar ze overeenkomstig zijn heilige wil zo
leidt en regeert, dat in deze wereld niets gebeurt zonder zijn beschikking2.
Toch is God niet de bewerker van de zonde die gedaan wordt, en evenmin draagt
Hij er de schuld van3. Want zijn macht en goedheid zijn zó groot en
gaan ons begrip zó te boven, dat Hij zijn werk zeer goed en rechtvaardig
beschikt en doet, ook al handelen de duivelen en goddelozen onrechtvaardig4.
En al wat in zijn doen het menselijk verstand te boven gaat, willen wij niet
nieuwsgierig onderzoeken, verder dan ons begrip reikt. Maar in alle ootmoed en
eerbied aanbidden wij de rechtvaardige beslissingen van God, die voor ons
verborgen zijn5. Wij stellen ons ermee tevreden, dat wij leerlingen
van Christus zijn, om slechts te leren wat Hij ons onderwijst door zijn Woord,
zonder deze grenzen te overschrijden6.
Deze leer schenkt ons een onuitsprekelijke troost, als wij erdoor leren verstaan
dat ons niets bij toeval kan gebeuren, maar dat alles ons alleen overkomt door
de beschikking van onze goedertieren hemelse Vader. Hij waakt over ons met een
vaderlijke zorg, terwijl Hij zó over alle schepselen heerst, dat niet één
haar van ons hoofd — want die zijn alle geteld — en niet één
musje ter aarde zal vallen zonder de wil van onze Vader (Mat.
10:29, 30). Hierop stellen wij ons vertrouwen, omdat wij weten dat Hij de
duivelen en al onze vijanden in toom houdt en zij ons zonder zijn toelating en
wil niet kunnen schaden7.
Daarom verwerpen wij de verfoeilijke dwaling van de epicureeërs, die zeggen dat
God Zich nergens mee bemoeit en alles aan het toeval overlaat.
1 Joh.
5:17; Hebr.
1:3. 2 Ps.
115:3; Spr.
16:1, 9,
33;
21:1;
Ef.
1:11; Jak.
4:13-15. 3 Jak.
1:13; 1Joh.
2:16. 4 Job
1:21; Jes.
10:5; 45:7;
Amos
3:6; Hand.
2:23; 4:27,
28. 5 1Kon.
22:19-23; Rom.
1:28; 2Tes.
2:11. 6 Deut.
29:29; 1Kor.
4:6. 7 Gen.
45:8; 50:20;
2Sam.
16:10; Rom.
8:28, 38,
39.
Artikel 14 - De schepping van de mens; zijn val en zijn verdorvenheid
Wij geloven dat God de mens uit het stof van de aarde
geschapen heeft1 en hem gemaakt en gevormd heeft naar zijn beeld en
gelijkenis: goed, rechtvaardig en heilig2, zodat hij met zijn wil in
alles overeen kon stemmen met de wil van God. Maar toen de mens in die eervolle
positie verkeerde, heeft hij er geen acht op geslagen en zijn bevoorrechte
plaats niet erkend. Hij heeft zich, door gehoor te geven aan het woord van de
duivel, willens en wetens aan de zonde onderworpen en daarmee aan de dood en de
vervloeking3. Want het gebod ten leven dat hij ontvangen had, heeft
hij overtreden en door zijn zonde heeft hij de gemeenschap met God, die zijn
ware leven was, verbroken. Zo heeft hij zijn hele natuur verdorven en daarmee de
lichamelijke en geestelijke dood verdiend4. Doordat hij in al zijn
doen en laten goddeloos, verkeerd en ontaard is geworden, heeft hij alle
voortreffelijke gaven die hij van God had ontvangen, verloren5. Hij
heeft daarvan niets overgehouden dan geringe sporen, die niettemin voldoende
zijn om de mens iedere verontschuldiging te ontnemen6. Al het licht
in ons is immers in duisternis veranderd7, zoals de Schrift ons
leert: Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet
gegrepen (Joh.
1:5). Hier noemt te apostel Johannes de mensen duisternis. Daarom verwerpen
wij al wat men in strijd hiermee leert over de vrije wil van de mens, omdat de
mens slechts een slaaf van de zonde is en niets kan aannemen, of het moet hem
uit de hemel gegeven zijn (Joh.
3:27). Want wie zal zich erop beroemen uit eigen kracht iets goeds te kunnen
doen, daar Christus immers zegt: Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader,
die Mij gezonden heeft, hem trekt (Joh.
6:44)? Wie zal wijzen op zijn eigen wil, als hij weet dat de gezindheid
van het vlees vijandschap is tegen God (Rom.
8:7)? Wie zal de moed hebben te spreken over eigen kennis, wanneer hij
inziet dat een ongeestelijk mens niet aanvaardt wat van Gods Geest is (1Kor.
2:14)? Kortom, wie zal ook maar één eigen denkbeeld naar voren brengen,
wanneer hij weet dat wij niet bekwaam zijn iets uit onszelf te denken, maar
dat onze bekwaamheid Gods werk is (2Kor.
3:5)?
Daarom hoort het woord van de apostel onwrikbaar vastgehouden te worden, dat
het God is die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt
(Fil.
2:13). Want geen kennis of wil is in overeenstemming met die van God, als
Christus ze niet in de mens tot stand heeft gebracht, zoals Hij ons leert met de
woorden: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.
15:5).
1 Gen.
2:7; 3:19;
Pred.
12:7. 2 Gen.
1:26, 27; Ef.
4:24; Kol.
3:10. 3 Gen.
3:16-19; Rom.
5:12. 4 Gen.
2:17; Ef.
2:1; 4:18.
5 Ps.
94:11; Rom.
3:10; 8:6.
6 Rom.
1:20, 21. 7 Ef.
5:8.
Artikel 15 - De erfzonde
Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde
zich over heel het menselijk geslacht heeft verbreid1. Zij is een
verdorvenheid van de hele natuur2 en een erfelijk kwaad, waarmee
zelfs de kleine kinderen in de moederschoot besmet zijn3. Zij is
namelijk de wortel waaruit allerlei zonden in de mens voortkomen. Daarom is ze zó
gruwelijk en afzichtelijk voor God, dat zij reden genoeg is om het menselijk
geslacht te veroordelen4.
Zelfs door de doop is zij niet geheel vernietigd of uitgeroeid, omdat de zonde
altijd uit deze verdorvenheid ontspringt als opwellend water uit een giftige
bron5. Zij wordt evenwel de kinderen van God niet toegerekend om hen
te veroordelen, maar door zijn genade en barmhartigheid vergeven6,
niet om de gelovigen zorgeloos in de zonde te laten voortleven, maar om hen door
het besef van deze verdorvenheid dikwijls te doen zuchten van verlangen, uit
het lichaam, dat in de macht van de dood is, verlost te worden (Rom.
7:24). Op dit punt verwerpen wij de dwaling van de pelagianen, die zeggen
dat de zonde slechts uit navolging ontstaat.
1 Rom.
5:12-14, 19. 2 Rom.
3:10. 3 Job
14:4; Ps.
51:7; Joh.
3:6. 4 Ef.
2:3. 5 Rom.
7:18, 19. 6 Ef.
2:4, 5.
Artikel 16 - De eeuwige uitverkiezing door God
Wij geloven dat God, toen het hele geslacht van Adam door de
zonde van de eerste mens in verderf en ondergang was gestort1,
bewezen heeft dat Hij barmhartig en rechtvaardig is. Barmhartig, doordat Hij
diegenen uit dit verderf trekt en verlost, die Hij in zijn eeuwige en
onveranderlijke raad2 uit louter genade verkoren heeft3 in
Jezus Christus, onze Here4, zonder ook maar enigszins hun werken in
rekening te brengen5. Rechtvaardig, doordat Hij de anderen laat in
hun val en verderf, waarin zij zichzelf gestort hebben6.
1 Rom.
3:12. 2 Joh.
6:37, 44;
10:29;
17:2,
9,
12;
18:9.
3 1Sam.
12:22; Ps.
65:5; Hand.
13:48; Rom.
9:16; 11:5;
Tit.
1:1. 4 Joh.
15:16, 19; Rom.
8:29; Ef.
1:4, 5. 5 Mal.
1:2, 3; Rom.
9:11-13; 2Tim.
1:9; Tit.
3:4, 5. 6 Rom.
9:19-22; 1Pet.
2:8.
Artikel 17 - De belofte van de Verlosser
Wij geloven dat onze goede God, toen Hij zag dat de mens zich
zo in de lichamelijke en geestelijke dood gestort had en zich volkomen rampzalig
gemaakt had, hem in zijn wonderbare wijsheid en goedheid zelf is gaan zoeken,
toen hij bevend voor Hem vluchtte1. God heeft hem getroost met de
belofte hem zijn Zoon te geven, die geboren zou worden uit een vrouw (Gal.
4:4), om de kop van de slang te vermorzelen (Gen.
3:15) en de mens voor eeuwig gelukkig te maken2.
1 Gen.
3:9. 2 Gen.
22:18; Jes.
7:14; Joh.
1:14; 5:46;
7:42;
Hand.
13:32; Rom.
1:2, 3; Gal.
3:16; 2Tim.
2:8; Heb.
7:14.
Artikel 18 - De menswording van Gods Zoon
Wij belijden dus dat God de belofte die Hij aan de vaderen
gegeven had bij monde van zijn heilige profeten1, vervuld heeft door
zijn eigen, eniggeboren en eeuwige Zoon in de wereld te zenden op de door Hem
bepaalde tijd2. Deze heeft de gestalte van een dienstknecht
aangenomen en is aan de mensen gelijk geworden (Filip.
2:7) door echte menselijke natuur werkelijk aan te nemen met al haar
zwakheden3, uitgezonderd de zonde4. Hij is ontvangen in de
schoot van de gezegende maagd Maria door de kracht van de Heilige Geest, zonder
toedoen van een man5. Hij heeft niet alleen de menselijke natuur
aangenomen wat het lichaam betreft, maar ook een echt menselijke ziel om
werkelijk mens te zijn. Want omdat de ziel evenzeer verloren was als het
lichaam, moest Hij ze beide aannemen om beide te redden.
Tegenover de ketterij van de wederdopers, die ontkennen dat Christus van zijn
moeder de menselijke natuur aangenomen heeft, belijden wij daarom dat Hij
deel gekregen heeft aan het vlees en bloed van Gods kinderen (Hebr.
2:14); dat Hij een vrucht van Davids lendenen is (Hand.
2:30), naar het vlees voortgekomen uit het geslacht van David (Rom.
1:3); vrucht van Maria’s schoot (Luc.
1:42); geboren uit een vrouw (Gal.
4:4); spruit van David (Jer.
33:15); scheut uit de wortel van Isaï (Jes.
11:1); gesproten uit Juda (Hebr.
7:14); wat het vlees betreft afkomstig uit de joden (Rom.
9:5); uit het nageslacht van Abraham6, omdat Hij dat
heeft aangenomen en in alle opzichten aan zijn broeders gelijk is geworden met
uitzondering van de zonde (Hebr.
2:16, 17; 4:15).
Zo is Hij werkelijk onze Immanuël: God met ons (Matt.
1:23).
1 Gen.
26:4; 2Sam.
7:12-16; Ps.
132:11; Luc.
1:55; Hand.
13:23. 2 Gal.
4:4. 3 1Tim.
2:5; 3:16;
Heb.
2:14. 4 2Kor.
5:21; Heb.
7:26; 1Pet.
2:22. 5 Mat.
1:18; Luc.
1:35. 6 Gal.
3:16.
Artikel 19 - De twee naturen van Christus
Wij geloven dat de Persoon van de Zoon door deze ontvangenis
onafscheidelijk verenigd en verbonden is met de menselijke natuur1.
Er zijn dus geen twee zonen van God en geen twee personen, maar twee naturen
verenigd in één Persoon, waarbij elke natuur haar onderscheiden eigenschappen
behoudt. De goddelijke natuur is altijd ongeschapen gebleven, zonder begin
van dagen of einde van leven (Hebr.
7:3), en vervult hemel en aarde2. Evenzo heeft de menselijke
natuur haar eigenschappen niet verloren, maar is schepsel gebleven, dat wel een
begin van dagen heeft, eindig is en alles behoudt wat bij een echt lichaam hoort3.
Wel heeft Hij haar door zijn opstanding onsterfelijkheid gegeven, maar Hij heeft
de echtheid van zijn menselijke natuur niet veranderd4, omdat ons
behoud en onze opstanding mee afhangen van de echtheid van zijn lichaam5.
Deze twee naturen zijn zo in één Persoon verenigd, dat zij
zelfs door zijn dood niet gescheiden zijn geweest. Bij zijn sterven gaf Hij dus
in de handen van zijn Vader een echt menselijke geest, die zijn lichaam verliet6;
maar toch bleef de goddelijke natuur steeds met de menselijke verenigd, zelfs
toen Hij in het graf lag7. De godheid hield niet op in Hem te zijn,
evenals zij in Hem was toen Hij een klein kind was, hoewel zij zich voor korte
tijd niet openbaarde. Daarom belijden wij dat Hij echt God en echt mens is: echt
God om door zijn kracht de dood te overwinnen, echt mens om voor ons te kunnen
sterven vanwege de zwakheid van zijn vlees.
1 Joh.
1:14; 10:30;
Rom.
9:5; Fil.
2:6, 7. 2 Mat.
28:20. 3 1Tim.
2:5. 4 Mat.
26:11; Luc.
24:39; Joh.
20:25; Hand.
1:3, 11; 3:21;
Heb.
2:9. 5 1Kor.
15:21; Fil.
3:21. 6 Mat.
27:50. 7 Rom.
1:4.
Artikel 20 - Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid in Christus
Wij geloven dat God, die volkomen barmhartig en rechtvaardig
is, zijn Zoon gezonden heeft om de natuur waarin de ongehoorzaamheid begaan was,
aan te nemen1 en in haar de schuld te betalen en door zijn zeer
bitter lijden en sterven de straf voor de zonden te dragen2. Zo heeft
God zijn rechtvaardigheid bewezen jegens zijn Zoon door onze zonden op Hem te
laden3. Zijn goedheid en barmhartigheid heeft Hij uitgestort over
ons, die schuldig waren en verdienden veroordeeld te worden. Want in volkomen
liefde heeft Hij zijn Zoon voor ons in de dood overgegeven en Hem opgewekt tot
onze rechtvaardiging4, opdat wij door Hem onsterfelijkheid en eeuwig
leven zouden hebben.
1 Rom.
8:3. 2 Heb.
2:14. 3 Rom.
3:25, 26; 8:32.
4 Rom.
4:25.
Artikel 21 - De voldoening door Christus
Wij geloven dat Jezus Christus een eeuwig Hogepriester is
naar de orde van Melchisedek, wat God met een eed heeft bevestigd1.
Hij heeft Zichzelf in onze plaats voor zijn Vader gesteld, om door volkomen
voldoening diens toorn te stillen2. Daartoe heeft Hij Zichzelf aan
het kruis geofferd en zijn kostbaar bloed vergoten, om ons te reinigen van onze
zonden3, zoals de profeten hadden voorzegd4.
Want er staat geschreven, dat de straf die ons de vrede aanbrengt, op de Zoon
van God was en dat wij door zijn striemen genezen zijn5; dat
Hij als een lam ter slachting is geleid en onder de overtreders is geteld6
(Jes.
53:5, 7, 12); dat Hij als een misdadiger veroordeeld is door Pontius Pilatus,
hoewel deze Hem onschuldig verklaard had7. Zo heeft Hij
teruggegeven wat Hij niet geroofd had (Ps.
69:5), en heeft Hij als rechtvaardige voor onrechtvaardigen geleden8
(1Petr.
3:18), zowel naar lichaam als naar ziel9, zodat Hij de
verschrikkelijke straf voelde die wij door onze zonden verdiend hadden, en
zijn zweet als bloeddruppels werd, die op de aarde vielen (Luc.
22:44). Hij heeft geroepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij
verlaten? (Matt.
27:46), en Hij heeft dit alles geleden ter wille van de vergeving van onze
zonden. Daarom zeggen wij terecht met Paulus, dat wij niets anders weten dan
Jezus Christus en die gekruisigd (1Kor.
2:2); wij beschouwen alles als vuilnis, omdat de kennis van Christus
Jezus, onze Heer, alles te boven gaat (Filip.
3:8). Wij vinden al onze troost in zijn wonden en behoeven geen enkel ander
middel te zoeken of uit te denken om ons met God te verzoenen naast dit ene,
eens voor altijd gebrachte offer, dat de gelovigen voor eeuwig tot volmaaktheid
brengt10 (Hebr.
10:14). Daarom noemt Gods engel Hem ook Jezus, dat is Verlosser, omdat
Hij zijn volk zou redden van hun zonden11 (Matt.
1:21).
1 Ps.
110:4; Heb.
7:15-17. 2 Rom.
4:25; 5:8,
9; 8:32;
Gal. 3:13;
Kol.
2:14; Heb.
2:9, 17; 9:11-15.
3 Hand.
2:23; Fil.
2:8; 1Tim.
1:15; Heb.
9:22; 1Pet.
1:18, 19; 1Joh.
1:7; Opb.
7:14. 4 Luc.
24:25-27; Rom.
3:21; 1Kor.
15:3. 5 1Pet.
2:24. 6 Mar.
15:28. 7 Joh.
18:38. 8 Rom.
5:6. 9 Ps.
22:16. 10 Heb.
7:26-28; 9:24-28.
11 Luc.
1:31; Hand.
4:12.
Artikel 22 - De rechtvaardiging door het geloof in Christus
Wij geloven dat de Heilige Geest, om ons ware kennis van deze
grote verborgenheid te doen verwerven, in ons hart waar geloof ontsteekt1,
dat Jezus Christus met al zijn verdiensten omhelst, Hem zich toeëigent en niets
meer buiten Hem zoekt2. Want één van beide: òf in Jezus Christus
is niet alles wat voor ons heil nodig is, òf dit alles is wel in Hem en dan
heeft hij die Jezus Christus door het geloof bezit, al zijn heil3.
Zou men dus beweren dat Christus niet genoeg is, maar dat er naast Hem nog iets
anders nodig is, dan is dat een gruwelijke godslastering. Daaruit zou immers
volgen dat Christus maar een halve Heiland is.
Daarom zeggen wij terecht met Paulus, dat wij door het geloof alleen, of door
het geloof zonder de werken, gerechtvaardigd worden4 (Rom.
3:28). Wij vatten dit, nauwkeurig gesproken, niet zo op, dat het geloof zelf
ons rechtvaardigt5, want het is slechts een middel waarmee wij
Christus, onze gerechtigheid omhelzen. Maar Jezus Christus is onze
gerechtigheid, doordat Hij ons toerekent al zijn verdiensten en al zijn heilige
werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan6. En het
geloof is het middel dat ons met Hem in de gemeenschap van al zijn schatten en
gaven verbonden houdt. Als deze ons eigendom zijn geworden, zijn zij meer dan
voldoende om ons vrij te spreken van onze zonden.
1 Joh.
16:14; 1Kor.
2:12; Ef.
1:17, 18. 2 Joh.
14:6; Hand.
4:12; Gal.
2:21. 3 Ps.
32:1; Mat.
1:21; Luc.
1:77; Hand.
13:38, 39; Rom.
8:1. 4 Rom.
3:19–4:8; 10:4-11;
Gal.
2:16; Fil.
3:9; Tit.
3:5. 5 1Kor.
4:7. 6 Jer.
23:6; Mat.
20:28; Rom.
8:33; 1Kor.
1:30, 31; 2Kor.
5:21; 1Joh.
4:10.
Artikel 23 - Onze gerechtigheid voor God in Christus
Wij geloven dat ons heil gelegen is in de vergeving van onze
zonden om Jezus Christus’ wil. Daarin bestaat onze gerechtigheid voor God1.
Dat leren David en Paulus ons door te verklaren: Zalig is de mens aan wie God
gerechtigheid toerekent zonder werken (Ps. 32:2; Rom. 4:6). En dezelfde
apostel zegt, dat wij om niet, anders gezegd, uit genade
gerechtvaardigd zijn door de verlossing in Christus Jezus2 (Rom.
3:24). Daarom houden wij dit fundament altijd vast. Daarin geven wij alle eer
aan God3, terwijl wij onszelf vernederen en belijden wat voor mensen
wij zijn, zonder ons ook maar enigszins op onszelf of op onze verdiensten te
laten voorstaan4. Wij steunen uitsluitend op de gehoorzaamheid van de
gekruisigde Christus en rusten daarin5. En deze gehoorzaamheid is de
onze, wanneer wij in Hem geloven6. Zij is voldoende om al onze
ongerechtigheden te bedekken. Zij bevrijdt ons geweten van vrees, ontzetting en
verschrikking en geeft ons zo vrijmoedigheid om tot God te naderen, zonder te
doen als onze eerste vader Adam, die zich bevend met vijgebladeren wilde
bedekken7. En werkelijk, als wij voor God moesten verschijnen,
terwijl wij, in hoe geringe mate ook, op onszelf of op enig ander schepsel
zouden steunen — ach, wij zouden vergaan8! Daarom moet ieder met
David zeggen: HERE, ga niet in het gericht met uw knecht, want niemand die
leeft, is voor U rechtvaardig (Ps. 143:2).
1 1Joh. 2:1. 2 2Kor. 5:18, 19; Ef. 2:8;
1Tim. 2:6. 3 Ps. 115:1; Opb. 7:10-12. 4 1Kor. 4:4; Jak.
2:10. 5 Hand. 4:12; Heb. 10:20. 6 Rom. 4:23-25. 7
Gen. 3:7; Sef. 3:11; Heb. 4:16; 1Joh. 4:17-19. 8 Luc. 16:15;
Fil. 3:4-9.
Artikel 24 - De heiliging
Wij geloven dat dit ware geloof, in de mens verwekt door het
horen van het Woord van God en door de werking van de Heilige Geest1,
hem opnieuw geboren doet worden en hem tot een nieuwe mens maakt2.
Dit ware geloof doet hem leven in een nieuw leven en bevrijdt hem uit de
slavernij van de zonde3.
Daarom is er geen sprake van dat dit rechtvaardigend geloof de mensen
onverschillig zou maken voor een vroom en heilig leven4. Integendeel,
zonder dit geloof zullen zij nooit iets doen uit liefde tot God5,
maar alleen uit liefde tot zichzelf en uit vrees veroordeeld te worden. Het is
dan ook onmogelijk dat dit heilig geloof in de mens niets zou uitwerken. Wij
spreken immers niet van een onvruchtbaar geloof, maar van geloof waarvan de
Schrift zegt, dat het door de liefde werkt (Gal. 5:6). Het beweegt de
mens ertoe, zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft.
Als deze werken voortkomen uit de goede wortel van het geloof, zijn ze goed en
voor God aangenaam, omdat zij alle door zijn genade geheiligd zijn.
Toch worden zij niet in rekening gebracht, als het gaat om onze rechtvaardiging.
Wij worden immers gerechtvaardigd door het geloof in Christus, zelfs vóór wij
goede werken doen6. Anders zouden deze werken niet goed kunnen zijn,
evenmin als de vrucht van een boom goed kan zijn, voordat de boom goed is7.
Wij doen dus goede werken, maar niet om daarmee iets te verdienen. Trouwens, wat
zouden wij kunnen verdienen? Wij zijn veeleer aan God dank verschuldigd voor de
goede werken die wij doen, en Hij niet aan ons8. Want Hij is het
die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt (Filip.
2:13). Laten wij dus ter harte nemen wat geschreven staat: Zo moet ook gij,
nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn nutteloze slaven;
wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen (Luc. 17:10). Toch willen wij
niet ontkennen dat God de goede werken beloont9, maar door zijn
genade kroont Hij zijn gaven.
En verder, al doen wij goede werken, toch funderen wij daar ons heil niet op.
Want wij kunnen geen enkel werk doen of het is besmet doordat wij zondaren zijn,
en verdient daarom gestraft te worden10. En al konden we op één
goed werk wijzen, dan is toch de gedachte aan één zonde genoeg om het
verwerpelijk te maken voor Gods ogen11. Op deze wijze zouden wij
altijd in twijfel leven, heen en weer geslingerd, zonder enige zekerheid, en ons
arme geweten zou altijd gekweld worden, indien het niet steunde op de verdienste
van het lijden en sterven van onze Heiland12.
1 Hand. 16:14; Rom. 10:17; 1Kor. 12:3. 2
Ezech. 36:26, 27; Joh. 1:12, 13; 3:5; Ef. 2:4-6; Tit. 3:5; 1Pet. 1:23. 3
Joh. 5:24; 8:36; Rom. 6:4-6; 1Joh. 3:9. 4 Gal. 5:22; Tit.
2:12. 5 Joh. 15:5; Rom. 14:23; 1Tim. 1:5; Heb. 11:4, 6. 6
Rom. 4:5. 7 Mat. 7:17. 8 1Kor. 1:30, 31; 4:7; Ef.
2:10. 9 Rom. 2:6, 7; 1Kor. 3:14; 2Joh. :8; Opb. 2:23. 10
Rom. 7:21. 11 Jak. 2:10. 12 Hab. 2:4; Mat. 11:28; Rom.
10:11.
Artikel 25 - Christus de vervulling van de wet
Wij geloven dat de schaduwachtige eredienst van het oude
verbond en de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van
Christus hebben afgedaan en dat zo aan al deze schaduwen een einde is gekomen1.
Daarom moeten de christenen die niet langer handhaven. Toch blijft voor ons de
waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zij hun vervulling hebben2.
Wel maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons
in het Evangelie te bevestigen en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in
alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer3.
1 Mat. 27:51; Rom. 10:4; Heb. 9:9, 10. 2
Mat. 5:17; Gal. 3:24; Kol. 2:17. 3 Rom. 13:8-10; 15:4; 2Petr. 1:19; 3:2.
Artikel 26 - Christus onze enige Voorspraak
Wij geloven dat wij geen toegang hebben tot God dan alleen
door de enige Middelaar1 en Voorspraak Jezus Christus, de
rechtvaardige2. Hiertoe is Hij mens geworden en heeft Hij de
goddelijke en menselijke natuur verenigd, om ons mensen toegang te geven tot de
goddelijke majesteit3. Anders zou de toegang voor ons gesloten zijn.
Maar deze Middelaar, die de Vader ons gegeven heeft tussen Zich en ons, moet ons
door zijn verhevenheid niet afschrikken, zodat wij een andere, naar eigen
inzicht, zouden gaan zoeken. Want er is niemand onder de schepselen in de hemel
of op aarde die ons meer liefheeft dan Jezus Christus4, die hoewel
Hij in de gestalte Gods was, Zichzelf ontledigd heeft en de gestalte van een
dienstknecht heeft aangenomen (Filip. 2:6, 7) en aan zijn broeders in
alle opzichten gelijk geworden is (Hebr. 2:17).
Indien wij een andere middelaar moesten zoeken, die ons gunstig gezind zou zijn,
wie zouden wij dan kunnen vinden, die ons meer liefheeft dan Hij die zijn leven
voor ons gegeven heeft, zelfs toen wij zijn vijanden waren (Rom. 5:8,
10)? En als wij iemand moesten zoeken die macht en aanzien heeft, wie is zo
machtig en aanzienlijk als Hij die gezeten is aan de rechterhand van zijn Vader5
en die alle macht heeft in hemel en op aarde (Matt. 28:18)? En wie zal
eerder verhoord worden dan de eigen zeer geliefde Zoon van God6?
Het is dus enkel gebrek aan vertrouwen dat geleid heeft tot de gewoonte om de
heiligen te onteren in plaats van hen te eren. Want men doet wat zij nooit
gedaan of begeerd hebben, maar wat zij onophoudelijk volgens hun plicht
verworpen hebben7, zoals uit hun geschriften blijkt.
Men moet onze onwaardigheid hier niet tegen inbrengen, want er is geen sprake
van dat wij onze gebeden op grond van onze waardigheid voor God zouden brengen,
maar wij doen dat alleen op grond van de uitnemendheid en waardigheid van onze
Heer Jezus Christus8; zijn gerechtigheid is immers de onze door het
geloof9. Daarom zegt de Schrift ons, als zij deze dwaze vrees of
liever dit gebrek aan vertrouwen van ons wil wegnemen, dat Jezus Christus in
alle opzichten aan zijn broeders is gelijk geworden, opdat Hij een barmhartig en
getrouw Hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen.
Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun die verzocht
worden, te hulp komen (Hebr. 2:17, 18). En om ons nog meer moed te geven om
tot Hem te gaan, zegt de Schrift verder: Daar wij nu een grote Hogepriester
hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die
belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen Hogepriester die niet kan meevoelen
met onze zwakheden, maar een die in alle dingen op gelijke wijze als wij is
verzocht geweest, doch zonder te zondigen. Laten wij daarom met vrijmoedigheid
toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade
vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd10 (Hebr. 4:14-16).
In dezelfde brief zegt de Schrift, dat wij volle vrijmoedigheid bezitten om
in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus; laten wij dan toetreden in
volle verzekerdheid van het geloof (Hebr. 10:19, 22). Eveneens: Christus
heeft een priesterschap dat op geen ander kan overgaan; daarom kan Hij ook
volkomen behouden wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen
te pleiten11 (Hebr. 7:24, 25).
Wat hebben wij dan nog meer nodig, daar Christus zelf uitdrukkelijke zegt: Ik
ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij
(Joh. 14:6)? Waarom zouden wij een andere advocaat zoeken, daar het God behaagd
heeft ons zijn Zoon te geven om voor ons te pleiten? Laten wij Hem niet loslaten
om een ander te nemen, of liever, om een ander te zoeken, zonder die ooit te
vinden. Want toen God Hem aan ons gaf, wist Hij heel goed dat wij zondaars
waren. Daarom roepen wij naar het gebod van Christus de hemelse Vader aan door
Christus, onze enige Middelaar12, zoals ons in het gebed des Heren
geleerd is13. En wij zijn er zeker van dat de Vader ons zal geven
al wat wij Hem bidden in Christus’ naam14 (Joh. 16:23).
1 1Tim. 2:5. 2 1Joh. 2:1. 3 Ef.
3:12. 4 Mat. 11:28; Joh. 15:13; Ef. 3:19; 1Joh. 4:10. 5
Heb. 1:3; 8:1. 6 Mat. 3:17; Joh. 11:42; Ef. 1:6. 7
Hand. 10:26; 14:15. 8 Jer. 17:5, 7; Hand. 4:12. 9
1Kor. 1:30. 10 Joh. 10:9; Ef. 2:18; Heb. 9:24. 11 Rom.
8:34. 12 Heb. 13:15. 13 Mat. 6:9-13; Luc. 11:2-4. 14
Joh. 14:13.
Artikel 27 - De katholieke of algemene kerk
Wij geloven en belijden één katholieke of algemene kerk1.
Zij is een heilige vergadering2 van de ware gelovigen, die al hun
heil verwachten van Jezus Christus3, gewassen zijn door zijn bloed,
geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest4.
Deze kerk is er geweest vanaf het begin van de wereld en zal er zijn tot het
einde toe. Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan
zijn5. Deze heilige kerk wordt door God staande gehouden tegen het
woeden van de hele wereld6, hoewel zij soms een tijdlang zeer klein
en ogenschijnlijk verdwenen is7. Zo heeft de Heer gedurende de
gevaarlijke tijd onder Achab zevenduizend mensen voor Zich bewaard, die hun
knieen voor Baäl niet gebogen hadden8.
Ook is deze heilige kerk niet gevestigd in, gebonden aan, of beperkt tot een
bepaalde plaats, of gebonden aan bepaalde personen, maar zij is verbreid en
verstrooid over heel de wereld9. Toch is zij met hart en wil
samengevoegd en verenigd in eenzelfde Geest, door de kracht van het geloof10.
1 Gen. 22:18; Jes. 49:6; Ef. 2:17-19. 2
Ps. 111:1; Joh. 10:14, 16; Ef. 4:3-6; Hebr. 12:22, 23. 3 Joël
2:32; Hand. 2:21. 4 Ef. 1:13; 4:30. 5 2Sam. 7:16;
Ps. 89:37; Ps. 110:4; Matt. 28:18, 20; Luc. 1:32. 6 Ps. 46:6;
Mat. 16:18. 7 Jes. 1:9; 1Pet. 3:20; Opb. 11:7. 8 1Kon.
19:18; Rom. 11:4. 9 Mat. 23:8; Joh. 4:21-23; Rom. 10:12, 13. 10
Ps. 119:63; Hand. 4:32; Ef. 4:4.
Artikel 28 - De roeping zich bij de kerk te voegen
Wij geloven dat niemand, welke positie hij ook heeft, zich
van deze heilige vergadering afzijdig mag houden, om op zichzelf te blijven
staan. In deze vergadering komen immers bijeen degenen die behouden worden, en
buiten haar is er geen heil1. Daarom moet ieder zich bij haar voegen
en zich met haar verenigen2. Zo wordt de eenheid van de kerk bewaard;
men onderwerpt zich aan haar onderwijzing en tucht3, buigt de hals
onder het juk van Jezus Christus4 en dient de opbouw van de broeders5
overeenkomstig de gaven die God aan allen verleend heeft, als leden van
eenzelfde lichaam6.
Om dit alles des te beter te kunnen onderhouden, is het volgens Gods Woord de
roeping van alle gelovigen zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk
horen7, en zich bij deze vergadering te voegen8 op ieder
plaats waar God haar gesteld heeft, zelfs al zouden de overheden en wetten van
de vorsten zich daartegen verzetten en al zou er de dood of lijfstraf op staan9.
Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen,
in strijd met Gods bevel.
1 Mat. 16:18, 19; Hand. 2:47; Gal. 4:26; Ef.
5:25-27; Heb. 2:11, 12; 12:23. 2 2Kron. 30:8; Joh. 17:21; Kol.
3:15. 3 Heb. 13:17. 4 Mat. 11:28-30. 5 Ef.
4:12. 6 1Kor. 12:7, 27; Ef. 4:16. 7 Num. 16:23-26; Jes.
52:11, 12; Hand. 2:40; Rom. 16:17; Opb. 18:4. 8 Ps. 122:1; Jes.
2:3; Heb. 10:25. 9 Hand. 4:19, 20.
Artikel 29 - De kenmerken van de ware kerk, van haar leden en van de valse
kerk
Wij geloven dat men nauwgezet en met grote zorgvuldigheid,
vanuit Gods Woord, behoort te onderscheiden welke de ware kerk is, omdat alle
sekten die er tegenwoordig in de wereld zijn, zich ten onrechte kerk noemen1.
Wij spreken hier niet over de huichelaars, die zich in de kerk tussen de
oprechte gelovigen bevinden en toch niet bij de kerk horen, al zijn zij voor het
oog wel in de kerk2. Maar wij bedoelen dat men het lichaam en de
gemeenschap van de ware kerk moet onderscheiden van alle sekten, die beweren dat
zij de kerk zijn.
De kenmerken waaraan men de ware kerk kan kennen, zijn deze: dat de kerk de
zuivere prediking van het evangelie onderhoudt3; dat zij de zuivere
bediening van de sacramenten onderhoudt4, zoals Christus die heeft
ingesteld; dat de kerkelijke tucht geoefend wordt om de zonden te bestraffen5.
Kortom, dat men zich richt naar het zuivere Woord van God6, alles wat
daarmee in strijd is verwerpt7 en Jezus Christus erkent als het enige
Hoofd8. Hieraan kan men met zekerheid de ware kerk kennen en niemand
heeft het recht zich van haar af te scheiden.
Zij die bij de kerk horen, zijn te kennen aan de kenmerken van de christenen,
namelijk aan het geloof9 en hieraan dat zij, na de enige Heiland
Christus aangenomen te hebben, de zonde ontvluchten en de gerechtigheid najagen10,
de ware God en hun naaste liefhebben11, niet naar rechts of naar
links afwijken en hun oude mens met zijn werken kruisigen12. Dat wil
echter niet zeggen dat er geen grote zwakheid meer in hen zou zijn, maar door de
Geest strijden zij daar elke dag tegen, hun leven lang13. Zij nemen
voortdurend hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de
gehoorzaamheid van de Heer Jezus, in wie zij vergeving van hun zonden hebben
door het geloof in Hem14.
Wat de valse kerk betreft, deze schrijft aan zichzelf en haar verordeningen meer
gezag toe dan aan Gods Woord en wil zich niet aan het juk van Christus
onderwerpen15. Zij bedient de sacramenten niet zoals Christus in zijn
Woord geboden heeft, maar naar eigen goedvinden voegt zij eraan toe en laat zij
eruit weg. Zij grondt zich meer op mensen dan op Christus. Zij vervolgt hen die
heilig leven naar Gods Woord en die haar bestraffen over haar zonden, hebzucht
en afgoderij16.
Deze twee kerken zijn gemakkelijk te kennen en van elkaar te onderscheiden.
1 Opb. 2:9. 2 Rom. 9:6. 3 Gal.
1:8; 1Tim. 3:15. 4 Hand. 19:3-5; 1Kor. 11:20-29. 5 Matt.
18:15-17; 1Kor. 5:4, 5, 13; 2Tes. 3:6, 14; Tit. 3:10. 6 Joh. 8:47; 17:20;
Hand. 17:11; Ef. 2:20; Kol. 1:23; 1Tim. 6:3. 7 1Tes. 5:21; 1Tim.
6:20; Opb. 2:6. 8 Joh. 10:14; Ef. 5:23; Kol. 1:18. 9
Joh. 1:12; 1Joh. 4:2. 10 Rom. 6:2; Fil. 3:12. 11 1Joh.
4:19-21. 12 Gal. 5:24. 13 Rom. 7:15; Gal. 5:17. 14
Rom. 7:24, 25; 1Joh. 1:7-9. 15 Hand. 4:17, 18; 2Tim. 4:3, 4; 2Joh.
:9. 16 Joh. 16:2.
Artikel 30 - De regering van de kerk
Wij geloven dat deze ware kerk geestelijk geregeerd moet
worden op de wijze die onze Heer ons in zijn Woord geleerd heeft1. Er
moeten dienaren of herders zijn, om Gods Woord te prediken en de sacramenten te
bedienen2, ook opzieners3 en diakenen4, om met
de herders een raad van de kerk te vormen5. Op die manier moeten zij
de ware godsdienst onderhouden en zorgen dat de ware leer voortgang heeft, dat
de overtreders op geestelijke wijze gestraft en in toom gehouden worden, en dat
de armen en zij die in moeite verkeren, geholpen en getroost worden naarmate zij
het nodig hebben6.
Op deze wijze zal alles in de kerk in goede orde geschieden, wanneer personen
gekozen worden die trouw zijn7, overeenkomstig de regel die de
apostel Paulus daarvoor geeft in de brief aan Timoteüs8.
1 Hand. 20:28; Ef. 4:11, 12; 1Tim. 3:15; Heb. 13:20,
21. 2 Luc. 1:2; 10:16; Joh. 20:2