Ledeboer, Lambertus Gerardus Cornelis (Rotterdam 30 sept. 1808 – Benthuizen 21 okt. 1863), Nederlands gereformeerd
predikant, werd in 1838 predikant te Benthuizen, waar hij een conflict
veroorzaakte met de kerkelijke besturen. Hij werd geschorst, scheidde zich af
van de Hervormde Kerk en voegde zich bij de
Afgescheidenen van 1834, maar liet hen weer los omdat zij erkenning bij de
regering aanvroegen en stichtte eigen gemeenten, met name in Zeeland.
De ledeboerianen vielen na zijn dood uiteen, totdat G.H. Kersten in 1907 hen met
de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis
wist te verenigen tot de Gereformeerde Gemeenten
in Nederland en Noord-Amerika.

Enige bijzonderheden uit het leven en sterven
van L.G.C. Ledeboer
"En door hetzelve geloof spreekt
hij nog nadat hij gestorven is".
Hebr. 11: 4c
God breekt pilaren af, waardoor het huis gaat
zinken.
De dragers worden min, zo er nog enk'le zijn,
God blaast de lichten uit, die hier en daar nog blinken
En daar Hij neemt het zijn, wat blijft er dan de schijn?
Ledeboer
"God blaast de lichten uit, die hier en daar nog
blinken". Dit zei Ledeboer op 13 Augustus 1859 toen te Benthuizen
zijn vriend en broeder J. van Noort, In leven onderwijzer te Honswijk, als 'n
helder licht aan de kerkhemel onderging.
Nu zijn deze woorden ten volle van toepassing op hemzelf, die, als een helder
schijnend licht, hoog op de kandelaar stond. Een licht dat niet alleen
allen die in het huis waren verlichtte, maar waarvan zelfs de stralen door
de vensters naar buiten drongen. Zelfs op zo'n manier, dat de naam-belijders,
hoewel ook met haat in het hart jegens hem vervuld, getuigen moesten, dat het
licht van de Heilige Geest was en het bevestigd werd wat geschreven staat in Ps.
126:2. toen zei men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen
gedaan.
Enkele weken voor het overlijden van deze getrouwe knecht des Heren, schreef hij
nog eigenhandig aan zijn vriend dat het naar het lichaam beter met hem begon te
gaan, hoewel de zwakte bleef aanhouden.
De Here God, Die geen rekenschap geeft van Zijn daden en alles doet naar de raad
van Zijn wil, had het anders besloten en was voornemens dit kostelijke vat uit
de tempel weg te nemen.
Op 30 September 1808 werd Lambertus Gerardus Cornelis Ledeboer te Rotterdam
geboren. Zijn ouders behoorden tot de deftigste stand in de maatschappij. Zijn
vader was een zeer achtenswaardig man, die door zijn bekende weldadigheid veel
zegen om zich heen verspreidde, terwijl zijn moeder een eenvoudige, maar
godvrezende vrouw was, die haar kinderen opvoedde "in de tucht en de vreze
des Heren". Dit kind was de oogappel van de vrome vrouw , geen wonder dus,
dat zijn opvoeding met smekingen en gebeden gepaard ging.
De Here bevestigde ook hier Zijn woord, dat het gebed van een rechtvaardige veel
vermag, want al vroeg openbaarden zich bijzondere kenmerken in hem. Hij was
altijd werkzaam, veel teruggetrokken en in zichzelf gekeerd. Ontzag voor Gods
woord en achting en eerbied voor de vromen was al vroeg bij hem aanwezig,
terwijl hij reeds als kind geestelijke uit natuurlijke zaken afleidde.
Hij was een vijand van onoprechtheid, driftig van aard, doch spoedig vergevens
en vergetensgezind. Hij was nederig en dacht zeer klein en gering over zichzelf,
anderen hoger schattende dan zichzelf. Van kindsbeen af openbaarde zich bij hem
een bijzondere mededeelzaamheid, die zich op latere leeftijd meer ontwikkelde,
waardoor hij, als een andere Lodenstein, niets voor zich zelf kon houden, doch
het beste van het zijne aan anderen toevoegde.
Ledeboer muntte uit in zelfverloochening; van het aardse was hij los en het
zinnelijke of zienlijke trok hem niet aan, vandaar dat hij 't beste bij de arme
kinderen van God te huis was en daar z'n zoetste banden vond.
Wars van alle ijdele tooi en pronk en steeds getuigende tegen de hoogmoed onzer
dagen, was hij zelf een toonbeeld van eenvoud. Hij was matig in alles, vooral
ook in spijs en drank en hoewel zwak van gestel, nochtans moedig als een leeuw,
wanneer 't de ere Gods gold.
Ja, dan openbaarde de Here zich vele malen aan hem als aan de kleine en tedere
jongeling David, zo als hij de snorkende reus Goliath neervelde. Dan vertoonde
hij zich vaak in 's Heren kracht met een vrijmoedigheid bijna zonder voorbeeld,
wanneer hij als een Elia op Carmel alleen tegenover de Baälspriesters en het
hoererende Israël stond, om te getuigen tegen hun hooggaande zonden en
ongerechtigheden, en wanneer dan de Geest vaardig werd, ontzag hij noch
personen, noch machten, noch plaatsen, noch omstandigheden, maar hij getuigde
openlijk tegen hen.
Waar het zijn eer gold en versmaadheid en verachting zijn deel was, daar was hij
kalm en stil, naar het voorbeeld van Hem, die als een lam ter slachtbank geleid,
Zijn mond niet open deed. Hoort hoe hij daaromtrent zelf getuigt: "O!
mijn hart is niet bitter, noch boos tegen u en uws gelijken. Gods kinderen
kunnen dat begrijpen, hoe een zachtmoedig, medelijdend, schreiend, wenend en
zuchtend hart over uw lot, en ware het mogelijk, tot uw behoudenis, alzo spreken
kan en mag en moet! Och, mocht het zijn tot voordeel en niet tot oordeel!
Verwerpt niet de raad, de vermaning van hem die uitgestoten is van u, omdat hij
(och! mocht hij geen nieuwe gekozen hebben. en volgen!) met uw goddeloze wetten
en inzettingen zich niet langer mocht of kon verenigen. 0! ik zie niet laag op
u. Wat onderscheidt mij dat ik niet in het onderste der hel lag te branden?
Genade alleen".
Ledeboer heeft aan de academie te Leiden gestudeerd, waar hij als student zich
onderscheidde van zovelen, die gedurende hun studiejaren in brooddronkenheid en
ijdelheid uitspatten, alsof de student een vrijbrief had om in de dagen van zijn
jeugd bandeloos te leven, tot vergoeding van de jaren van ernst en
afgetrokkenheid, die hij tegemoet gaat.
Het veroorzaakte droefheid bij hem wanneer hij de spotlust van zijn
medestudenten moest aanhoren, en nooit heeft Ledeboer zijn voet op hun pad
gezet, of met hen meegedaan.
Wanneer het natuurlijke zaken waren, die de lachlust opwekten, dan lachte hij
wel mee, maar hij deelde niet in hun gesprekken, wetend dat hij van ieder ijdel
woord rekenschap zou moeten geven.
Zo bleek te allen tijde dat de vreze Gods in zijn ziel was geplant, waardoor hij
van uitwendige zonden en uitspattingen genadig bewaard werd. In het jaar 1833
werd hij tot proponent bevorderd, toen hij naar zijn ouderlijk huis terugtrok en
daar vijf jaren verbleef, tot hij in 1838 als herder en leraar te Benthuizen
beroepen werd.
In de maand Juli van dat jaar werd hij in de Heilige dienst bevestigd door zijn
stadgenoot de Wel Eerwaarde Heer P. H. Hugenholtz, terwijl de oplegging der
handen geschiedde, behalve door de Consulent, door de beide Rotterdamse
predikanten F. v. d. Ham en A. de Vries.
Te Benthuizen begon de uitwendige strijd tegen geestelijke en wereldse machten.
Ledeboer was herder en leraar en door genade wenste hij getrouw te zijn en te
blijven aan de leer van zijn vaderen, aan de "dierbare gereformeerde
leer". Wat daarvan het geringste afweek werd door hem openlijk
tegengestaan, omdat hij bij bevinding had geleerd, dat deze leer de alleen
zaligmakende was, een leer waarbij God Drie-enig alles en de mens niets was.
Waar het nu deze waarheden gold, daar stond hij pal als een rots in het hart der
zee, evenals een Luther: "daar sta ik, God helpe mij, ik kan niet
anders".
Was het wonder dat Arminiaan en Pelagiaan tegen hem te velde
trok en niet rustten, voordat de getrouwe knecht werd ontzet van zijn bediening
en uit het Hervormd kerkgenootschap geworpen werd en zulks met geweld en met
inroeping der wereldlijke macht.
Gevangenis en geldboeten onderging hij lijdzaam en geduldig, wat hij daaronder
leed, dat leed hij niet als een kwaaddoener, maar als een getrouwe wachter op de
muur van Sion, om en voor die waarheid, die hem had vrijgemaakt. Hoort hoe hij
in deze krachtige dichtregels eenmaal daaromtrent zijn hart lucht gaf:
Wij strijden voor de Dordtse
leer,
Omdat zij is van God de Heer'!
En wat daar buiten is, valt weg,
Want dat is mensen overleg!
't Zijn vonden uit bedorven brein,
Bezijden Jezus' heilfontein!
Welzalig die ontvangen mag
Een licht dat hij nog nimmer zag,
Want de natuur die leert het niet
Wat schoons Gods volk in Jezus ziet.
Zijn bloed, Zijn kruis, Zij dood en leer,
Zijn strijdig met onze eigen eer!
In deze strijd nu was Ledeboer onvermoeid wakker en getrouw.
Getuige hiervan de verschillende plaatsen waar er met 'hem twee of drie in 's
Heeren Naam vergaderden en die hij als de kudde beschouwde, waarover hij door de
Opperherder als onderherder was aangesteld.
Menigmaal sprak hij van de donkere wolken, die zich over land en kerk
samenpakten. En zijn gezicht in de toekomst was van grote betekenis, Hij toch
was als een tweede Noach, die met God wandelde en wie de Here niet eens, maar
meermalen met een blik in Zijn voornemens en raadsbesluiten verwaardigde.
Hij wachtte zware oordelen, vervolging en brandstapel voor de kerk van zijn God.
Land en kerk woog hem dan ook zwaar, zeer zwaar en in waarheid waren beide hem
op het hart gebonden. Dit wordt ook bevestigd door zijn gewoonte, om zich
eenmaal per maand van de wereld en alles af te zonderen en zich in het verborgen
voor God te buigen. Dan at noch dronk hij de hele dag, maar lag als een Daniël
met de schuld van land en volk voor de genadetroon, met dezelfde belijdenis: "wij
en onze vaderen hebben gezondigd".
En zullen we iets vermelden van hem, hoe hij rechtvaardig was voor God? Wij
laten de waardige overledene een andere Henoch zelf spreken in zijn brief over
de rechtvaardigmaking van de zondaar voor God, door hem geschreven aan de aan
velen bekende met de naam van de arme Jakob, die met ds. Ledeboer als met 'n
broeder verenigd was, in wiens armoedig hutje hij menig zalig uurtje heeft
doorgebracht. Wij willen u nog kort de reden van dit schrijven meedelen.
De arme Jakob was met enige vrienden over het onderwerp "rechtvaardigmaking"
in gesprek, echter de arme, doch rijke Jakob werd niet begrepen en zijn
ervaringen daaromtrent werden betwist en tegengestaan. Op verzoek van Jakob
schreef dominee Ledeboer deze brief, die gedurende zijn leven niet gepubliceerd
mocht worden, omdat hij altijd bevreesd was zijn eigen eer te zoeken.
Dit nu te boven zijnde en reeds in witte klederen wandelende, terwijl hij de
kroon reeds aan de voeten van het Lam heeft mogen neerwerpen, kunnen wij dit
korte maar krachtig getuigenis over dit hoogst gewichtig leerstuk aan te bieden,
overtuigd zijnde dat deze gezaligde zondaar er nu niets tegen zal hebben, dat
hij nog spreekt nadat hij gestorven is.
Nu kan zijn wit kleed daardoor niet meer bezoedeld-, maar wel de Naam van Zijn
God verheerlijkt worden.
Het sterven van Ledeboer was benijdenswaardig.
Pas kort voor zijn heengaan scheen hij zich van zijn naderend einde bewust, doch
de dood had geen verschrikking voor hem, want zijn leven was Christus, alzo kon
zijn sterven niet anders dan gewin zijn; Zijn uitgang was ruim en met een
"Halleluja Amen" op de lippen was het lange gebed uitgebeden en het
Amen dat dit gebed besloot zal door de paleizen des hemels weergalmd hebben,
terwijl de kruik aan de bornput werd gebroken.
En nu is Ledeboer er niet meer, want God nam hem weg. Zij die met geestelijke
banden aan hem gebonden waren, verloren veel, zeer veel in hem, maar geen nood,
want Jezus leeft!
Zo leert de ziel af te zien van alles wat Jezus niet is, opdat zij zich alleen
zou vastklemmen aan de hemelse Majesteit! Zijn stof ruste in vrede en de ziel
uit de aardse tabernakel verlost, ervaart nu in volle mate, wat hij eenmaal uit
zijn pen liet vloeien.
Een bidder minder op aard,
een danker meer daar boven;
Een zuchter minder hier beneên, een juicher meer aan 't hof.
Een lijder minder in 't stof, een blije meer in 't loven,
Een niet, een worm, een stof geschapen tot Gods lof.

Zie ook hetgeen er over Ds. Ledeboer staat op de pagina van de
Gereformeerde Gemeenten en op de
pagina van de Oud Gereformeerde Gemeenten
in Nederland.